Machtsmisbruik in Brussel?

In Brussel circuleert al enige dagen een geheime tekst van een akkoord tussen de Europese Commissie en de Verenigde Staten. Dat akkoord moet de grondslag leggen voor meer samenwerking tussen deze twee partijen op het terrein van het mededingingsbeleid. Een wens die gebaseerd is op het inzicht dat juist de Europese en Amerikaanse economieën steeds meer verstrengeld raken en het (internationale) bedrijfsleven op beide continenten actief is. Onder deze omstandigheden zou, aldus het akkoord, het concurrentiebeleid van de Europese en Amerikaanse kartel-autoriteiten meer moeten worden gecoördineerd.

Op zichzelf is dat natuurlijk geen schokkende ontwikkeling, maar het akkoord snelt met zeven mijls laarzen verder: partijen zouden ook vaker en meer informatie moeten uitwisselen; niet alleen over het door hen te voeren beleid, maar ook over ”anti-concurrentiële activiteiten' waarvan zij kennis hebben of krijgen en die repressie rechtvaardigen van de kartelautoriteiten op het andere continent.

Uitwisseling van dit soort informatie achten de twee partijen ”in their common interest', omdat zulks over en weer de toepassing van het eigen mededingingsrecht, inclusief fusiecontrole, ten goede zal komen. Partijen kunnen elkaar spontaan gegevens verstrekken, maar ook gerichte verzoeken uitwisselen. Aan die verzoeken zal moeten worden voldaan, tenzij enig voorschrift zich daartegen verzet dan wel inwilliging afstuit op ”important interests of the party possessing the information'. Voor het overige bepaalt het akkoord nog dat beide partijen de vertrouwelijkheid van uitgewisselde gegevens ”to the fullest extent possible' zullen handhaven.

Dit samenwerkingsmechanisme wordt niet voor eeuwig in het leven geroepen: zodra één van partijen daartoe de wens te kennen geeft, komen de gemaakte afspraken zestig dagen later te vervallen. Wat na die zestig dagen de status van vertrouwelijk uitgewisselde informatie is, zegt het akkoord er niet bij.

Men wrijft zich bij dit alles de ogen uit. Het EEG Verdrag bepaalt dat in de gevallen waarin met niet-lidstaten of internationale organisaties akkoorden of verdragen moeten worden gesloten, het de Europese Commissie is, die onderhandelt. Het is de Raad die uiteindelijk akkoorden sluit, maar die daartoe ook de Commissie zou kunnen machtigen. Dat is de hoofdregel voor het geval het sluiten van internationale akkoorden in het EEG Verdrag is voorzien.

Daarnaast is er rechtspraak van het EG Hof, waaruit volgt dat de EG ”contractuele bindingen met derde landen' kan aangaan op het gehele terrein van de doelstellingen van het EEG Verdrag. Alleen al vanuit deze formele invalshoek is de zojuist beschreven overeenkomst een opmerkelijk document. Het EEG Verdrag voorziet niet in een dergelijk akkoord op het terrein van de mededinging. Het verstrekken van gegevens aan Amerikaanse kartel-autoriteiten over ”anti-concurrentiële activiteiten', teneinde het mededingingsbeleid aan gene zijde van de Atlantische Oceaan te bevorderen, behoort evenmin tot de doelstellingen van het EEG Verdrag.

Het is dus zeer de vraag of de Europese Gemeenschap een dergelijk akkoord ooit zou mogen of kunnen sluiten. Zelfs als men deze tegenwerping negeert, resteert nog altijd de vraag waarom het akkoord tussen de VS en de Europese Commissie is gesloten, en waarom niet de Europese Gemeenschap verdragspartij is. En wie heeft de Europese Commissie eigenlijk gemachtigd onderhandelingen te openen over dit gevoelige onderwerp, laat staan zichzelf als verdragssluitende partij op te werpen? Het akkoord zwijgt hierover in alle talen.

Ook vanuit een meer inhoudelijke invalshoek bekeken roept het ”verdrag' gerede bedenkingen op. Ondernemingen verschaffen de Europese Commissie vaak uiterst vertrouwelijke en gevoelige informatie, doen zij dat niet, dan kan de Commissie die informatie ook zelf komen halen. In beide gevallen rust op de Commissie een geheimhoudingsplicht en mag de verkregen informatie uitsluitend worden gebruikt ”voor het doel waarvoor zij is gevraagd'.

Hoe de Commissie met voorbijgaan aan deze voorschriften de Amerikaanse kartelautoriteiten ooit informatie zou mogen doorspelen, laat het akkoord geheel in het midden. En sinds wanneer beschikt een publieke instelling als de Europese Commissie over eigen ”important interests'? Publieke instellingen hebben geen belangen maar dienen toch belangen? En waarom worden in de overeenkomst wel de belangen van de Europese Commissie genoemd, maar niet de belangen van bedrijven bij vertrouwelijkheid van door hen verstrekte gegevens? En welk bedrijf zal de Commissie nog gegevens blijven verstrekken, als die even later ook op de fax naar Washington kunnen worden gezet? Hoe denkt de Commissie dan in Europa nog mededingingsbeleid te kunnen voeren?

Kortom: het akkoord is een in velerlei opzichten aanvechtbaar en zelfs dubieus stuk. Dat stuk is zojuist in Washington ondertekend. Als we dat allemaal eerder hadden geweten zou Lauswolt een betere plaats zijn geweest. Met een geringe inspanning hadden dan de toegangswegen naar het Friese conferentieoord op voorhand kunnen worden geblokkeerd.

    • M.B.W. Biesheuvel