Kamer vraagt zich af wat EG nog in Joegoslavië doet

DEN HAAG, 4 OKT. Als de strijdende partijen in Joegoslavië niet aan de conferentietafel blijven zitten houdt de bemoeienis van de EG met het conflict in feite op.

Minister Van den Broek van buitenlandse zaken zei dit gisteren in een debat met de Tweede Kamer. Het CDA-Kamerlid De Kok vroeg minister Van den Broek wat de EG eigenlijk nog in Joegoslavië deed. “Zij zijn er niet om de burgeroorlog te volgen maar om een bestand te controleren. Wat kan de EG eigenlijk nog uitrichten in Joegoslavië”, zo vroeg De Kok zich af.

Minister Van den Broek vroeg de Kamer niet al te moedeloos te zijn en de motivatie wat de EG-inspanningen betreft niet op te geven. Het was nodig in Joegoslavië vol te houden omdat Europa en de Sovjet-Unie nog voor andere crises kunnen komen te staan. Hij noemde Joegoslavië het topje van de ijsberg. “Een beleid van voldongen feiten mag niet zegevieren.”

Over het sturen van troepen naar Joegoslavië bestaat bij de Kamer een grotere terughoudendheid. Eerst moet er een bestand zijn dat werkt en moeten de strijdende partijen om een Europese troepenmacht vragen. Minister Ter Beek van defensie antwoordde op vragen van Kamerleden dat een werkgroep van de Westeuropese Unie (WEU) vier opties heeft voorbereid voor zo'n troepenmacht, variërend van het zenden van 1.000 man om de waarnemers te beschermen tot een troepenmacht van 30.000 man. Zelf voelt hij het meeste voor de derde variant, waarbij landen van de WEU en de CVSE (Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) 10.000 militairen naar Joegoslavië sturen. Zij zouden het bestand moeten controleren, de waarnemers terzijde staan en bij "hot spots' de gemoederen tot bedaren moeten brengen. Aan deze multinationale eenheid zou Nederland twee bataljons van ieder 600 man leveren als een bestand volledig wordt nagekomen.