In de kelder

In zijn eigen straat speelde meneer Ratti niet langer voor blinde man.

Hij prikte met zijn stok twee papiertjes op. Het ene, een toffeepapiertje, deed hij bij zijn buurvrouw in de bus. Het andere, een boodschappenlijstje, stopte hij in zijn zak.

Op de stoep voor zijn deur waren kinderen aan het knikkeren.

Meneer Ratti stak zijn stok in de lucht en snauwde: "Opgehoepeld, wurmen! Ga voor je eigen deur herrie en rotzooi maken!'

De kinderen stoven weg. Een jongetje verloor een knikker die het portiek inrolde. Meneer Ratti, die dol was op knikkers, raapte hem op. Hij zei: "Een groen gewoontje' en toen hij in zijn kelder was, borg hij hem in een postzak waarin kilo's knikkers zaten.

Hij zette een ketel water op de kachel. En terwijl het water langzaam aan de kook kwam, zocht hij in een grote pot vol kwasten naar een geschikt kwastje om zijn naambordje netjes bij te schilderen.

"Moet je toch eens kijken. Ze zien er allemaal uit alsof je ze kan gebruiken... Maar of ze nou zo fijn zijn als een wimper of zo breed als een behangerskwast, ze zijn zo hard als mijn stok... Waarom maken de mensen die dingen niet schoon? Ik had beter tandenborstels kunnen verzamelen, die kan je nog uitspoelen... Maar bepaalde spullen wens ik nou eenmaal niet te bezitten.'

Meneer Ratti had zijn gedachte hierover een keer opgeschreven en aan de muur gehangen:

Geen meubels en geen traplopers en geen gebruikte kranten, geen tandenborstels, badpakken, schoenen en winterwanten, geen uitgevallen haar en afgeknipte paardestaarten, geen kaartjes voor de bus en restjes van verjaardagstaarten, geen melktandjes, geen nagels, dooie muizen, mussen, spinnen, luiers en schoolrapporten komen Ratti's kelder binnen!

Meneer Ratti zuchtte.

"Waar kan ik dan mee schilderen?'

Hij krabde eens op zijn hoofd en streek eens over zijn snorretje en... hij kreeg een idee.

Hij pakte een lolliestokje, een elastiekje en een schaar, knipte de puntjes van zijn snor en bond ze met het elastiekje stevig onderaan het stokje. En met dit penseel en het blikje witte verf ging hij naar de voordeur.

Hij gaf een paar likjes verf over het roestige plekje op zijn naambordje waar ooit de letter P had gestaan.

Met zijn kaars lichtte hij het bordje bij en zei tevreden: "Juist, deze heer heet Ratti.'

Hij ging de kelder weer binnen en schoof de grendels op de deur.

De ketel water kookte. Meneer Ratti zette een pot thee en hield de pot warm in een theemuts die door de jaren heen de kleur van thee had gekregen.

Met een dampende mok en twee droge beschuiten zat hij even later in zijn leunstoel, midden in de kelder, recht tegenover een televisietoestel. Het was het enige apparaat dat stroom verbruikte. "Want een koelkast heb ik niet nodig,' vond meneer Ratti, "omdat mijn kelder koel genoeg is.' En van een stofzuiger gruwde hij: "Veronderstel dat zo'n apparaat iets uit mijn verzameling opzuigt!' Hij brandde zelfs nooit lampen, behalve een heel enkele keer een kaal peertje dat aan het plafond hing. Het zat zo onder het stof dat het leek of het een mutsje droeg.

Meneer Ratti drukte met zijn stok op een knop van het televisietoestel. Het duurde wel een minuut voor er beeld kwam en dat beeld was zwart wit, of liever grijs, en stoorde soms zo dat je er zeeziek van zou worden.

Achterin de kelder klonk geritsel. Maar meneer Ratti hoorde het niet, omdat hij een hap nam van zijn beschuit.

(wordt vervolgd)