Iedere leugen snakt naar een oor; Sex, lies and videotape van Steven Soderbergh, 1989

Mensen die vreselijk graag seks willen, gaan liegen denkt Steven Soderbergh. Maar ze willen niet liegen. In zijn film sex, lies and videotape wil iedereen seks, liegt iedereen, maar slechts één personage weet iets met zijn verlangen en leugens te beginnen. Van dat vermogen wordt hij genezen. “Wanneer hij moet spelen dat hij door de bocht gaat, en Liefde wil, is de film ook ineens slecht geacteerd en kleffig.”

sex, lies and videotape ('89, Stephen Soderbergh) was zo'n film die door de Nederlandse kritiek welwillend kritisch tot regelrecht vijandig ontvangen werd - en die vervolgens met veel succes maandenlang in de bioscopen draaide. Het was echt een film voor paren; die voerden er Gesprekken door, kregen ruzie, en gingen, naar verluid, uit elkaar.

Wat voor een deel van de kritiek domweg een masturbantenfilm was, dan wel uiteindelijk "irritant moralistisch', bleek de zeldzame rol te kunnen spelen van gespreksonderwerp. Dat hadden we sinds Scènes uit een huwelijk van Ingmar Bergman niet meer meegemaakt.

De film is een veelgevraagde titel in de videotheken. Hij doet het op het kleine televisiescherm redelijk goed, ook al voel je dat de nuances van de subtiele, persoonlijke camerabewegingen je dan ontgaan. Door zijn onderwerp (vier mensen verwikkeld in een poging om lust en liefde bij elkaar te denken) en zijn schaal (je ziet, net als bij de echtscheidings-Bergmannen, voornamelijk ernstig pratende mensen) is hij ideaal voor huiselijk gebruik. Hij gaat over rijke, kinderloze mensen in puissante huizen. Het weer is goed, de gemiddelde leeftijd onder de dertig, de lichamen correct tot prachtig, het spel televisiegeniek en genuanceerd.

Hoezeer deze mensen ook verschoonde levens leiden, en hoezeer de film ook uitgesproken hygiënisch is en aan picturale smetvrees leidt - als had Fassbinder nooit bestaan - toch vind ik wel degelijk dat sex, lies and videotape in aanleg een metende film is. Er zijn films die van je problemen een verschijnsel maken, bijvoorbeeld die van Woody Allen, (om bij het seksuele thema van ook deze film te blijven) bij wie uiteindelijk alles kleinkunst is, en zedenschets, en vertederend; en er zijn films die zich willen meten. Deze film gaat zo recht mogelijk voor zijn kwestie staan. Hoe moet je leven als je begeerte je tot daden brengt die je noodzaken om te liegen?

Want volgens Soderbergh gaan mensen liegen als ze vreselijk graag alleen maar seks willen. Ze liegen tegen degene met wie ze leven, zoals het personage John. Of ze liegen tegen zich zelf dat ze eigenlijk geen seks willen, zoals zijn vrouw Ann. Of ze proberen eerlijk te zijn, maar kijken dan alleen maar naar andermans seks, zoals Graham. Of ze bevredigen ogenblikkelijk iedere impuls, en worden onverdund leugenachtig, zoals Cynthia.

Mensen willen niet liegen, zegt Soderbergh. Iedereen verlangt naar een biecht, of dat nu bij de psychotherapeut is, of bij je eigen zuster met wier man je het doet, of bij je minnares, die je vervolgens tot geheimhouding verplicht. Iedere leugen snakt naar een oor dat luisteren wil.

Impotent

Verreweg het interessantste personage is Graham. Die doet al sinds acht jaar niet meer aan seks; hij zegt impotent te zijn. Hij legt wel een verzameling vrouwen aan - videotapes van vrouwen die hem vertellen waar ze over fantaseren, en die zich meestal beginnen te bevredigen, al pratend. Als Graham al aan seks doet, dan is het na afloop van deze sessies, wanneer de vrouwen verdwenen zijn en hij de tape opnieuw afdraait, in zijn bijna priesterlijke, celibataire eenzaamheid.

Natuurlijk vliegen de beide vrouwen - zusters van elkaar - in het videoweb dat hij gespannen heeft. De losbandige, overspelige zuster, die het met haar zwager doet (in nogal sexy, steamy opnames) als eerste. Daarna de lichaamvrezende, bedrogen Ann - en als zij zich aan de opname-apparatuur lijkt over te geven, dan is er voor het eerst in de film sprake van liefde. Daardoor wordt Graham gedwongen zijn immune positie achter de camera op te geven.

De enige die, ten slotte, volhardt in zijn leugenachtigheid is John - een werkelijk prachtig portret van de gemiddelde bezoeker van het etablissement Wildschut te Amsterdam. Hij blijft immuun, verschanst zich ook na de scheiding in zijn werk en achter zijn stropdas.

Dit alles is samenvatting en strekking, geen poging om sex, lies and videotape ook te waarderen als het resultaat van een filmisch bewustzijn. Er valt weinig te beleven op het gebied waar deze rubriek doorgaans op opereert. De cameravoering is weliswaar uitgesproken gevoelig, speciaal in zijn bewegende, tastende close-ups die de film heel muzikaal maken - maar Soderbergh is gevoeliger voor dialoog dan voor beeld. Hij trekt niet grondig de consequenties uit zijn idee over de leugen. Er wordt, toegegeven, prachtig gelogen in de film, speciaal door John, maar het beeld liegt niet. Het blijft uiteindelijk razendknappe edeltelevisie Alle raadselachtigheid is deze regisseur vreemd. Na afloop is er geen shot dat door je hoofd blijft spoken omdat er iets mee was. Er ontsnapt je niks, alles was functioneel, en dat maakt deze film meer tot een verfilming van een kwestie, dan de verbeelding er van.

Wat kwelt Soderbergh nu eigenlijk?

Als hij gelooft dat onbeteugelde seks zijn personages tot leugenaars maakt, en dat die leugens hen opwinden, en dat deze opwinding uiteindelijk resulteert in een liefde die niet anders dan onanoir genoemd kan worden - van mensen die zich, ook al doen ze het met elkaar, verschansen in hun dwangmatige fantasieën - als hij werkelijk gelooft dat het zo is, en dat dit verschrikkelijk is - waarom is de film dan, ten slotte, zo correct?

Punt is dat Soderberghs wereldbeeld therapeutisch is. Hij behandelt enkele sessies bij een psychiater weliswaar met gepaste ironie, maar hij gelooft oprecht in zijn Ann, die ten slotte de hartgrondige en verdrietige onanist Graham verlost van zijn eenzelvige obsessie voor getapede vrouwen.

In mijn ogen onderschat de film daarmee Graham. Wanneer hij moet spelen dat hij door de bocht gaat, en Liefde wil, is de film ook ineens slecht geacteerd en kleffig. Ik bleef me maar afvragen: waarom wil hij deze Ann, met haar onuitroeibare Liv Ullman-blik en haar dweepzieke jurken. Hij is toch een veel moediger, veel durvender personage dan alle andere bij elkaar. Een man die jaren lang vrouwen vraagt om voor zijn camera plaats te nemen zonder ze daartoe te dwingen, zonder chantage, zonder te betalen, en die evenzovele jaren lang geobsedeerd is door hun fantasieën, die ze hem, omdat hij zijn "werk' goed doet, geheel en al uit vrije wil, en ongetwijfeld ook tot hun opgeluchte opwinding, opbiechten - zo iemand is toch, als je doordenkt, het zelfportret van de filmer zelf? Zijn film is toch ook zo'n fantasie? Het gaat hier toch om iemand die, hoe verknipt misschien ook, een manier gevonden heeft om iets te maken?

Hebbelijkheid

De consequentie van de gedachte dat Graham degene is die werkelijk iets doet met hartstocht en verbeelding, de enige die begeerte wil kennen, en die dus op zijn manier een kunstenaar is, trekt Soderbergh niet. Hij wil niet zo ver gaan dat het verlangen naar een beraamde wereld, naar een fantasie die je geheel en al in beslag neemt, en naar greep daarop au fond het verlangen naar een film is. Hij vertelt liever dat er een liefde is die dit verlangen oplost - als was het een ziekte, als kon Graham van iets genezen worden. Ik denk dat als het Soderbergh echt ernst was geweest met zijn Graham, of beter: als hij heus iets nieuws had willen vertellen, dat hij dan in beeld, zowel in de videobeelden van de biechtende vrouwen, als in de beeldbehandeling van Graham zelf, duidelijk had gemaakt dat het om iets verstrekkenders gaat dan een geneesbare hebbelijkheid.

Natuurlijk zijn Grahams video's een metafoor voor pornografie. Maar ook over het verlangen naar porno wordt te makkelijk gedacht; het lukt mij althans niet om het af te doen als een hebbelijkheid; zoals ook het verlangen van Cynthia om hoer te spelen meer is dan dat. En het bijzondere, en in aanzet verhelderende van Graham, als personage, is dat hij van de pornografische zucht iets maakt. Hij is weliswaar geen Mapplethorpe of Hans van Manen of Erwin Olaf - maar wel hun evenzo moedige en verslingerde neefje. Hij is degeen met wie Soderbergh zijn uitspraak over wat film zou kunnen zijn had kunnen doen; met Graham had hij de krachten waar het in deze film om gaat in het gezicht kunnen zien.

Ik sluit niet uit dat Graham heus wel eens door Ann op zijn grondvesten getrild zou kunnen hebben, maar als hij serieus was opgevat als iemand die iets durft, kan en doorstaat, dan zou hij tegen haar hebben gezegd: okay, je raakt me, maar als we echt willen, dan moet je me nemen zoals ik ben. In plaats daarvan trapt hij braaf zijn video-cassettes kapot, en het was me te moede als trapte hij in één beweging door Soderbergh aan gruzzels.

Soderbergh verschoont Ann van datgene waar Graham mee worstelt - het verlangen naar lust zonder last, greep zonder liefde. Het probleem van van sex, lies and videotape is niet dat hij te moralistisch is, maar dat hij te weinig moralistisch is.

Zoals hij nu eindigt is het alsof de goede, ernstige vrouw er ten slotte toch in slaagt om de latent homoseksuele man van zijn vreemde neigingen te genezen. In werkelijkheid zou zij, Ann, degene geweest moeten zijn die veranderde terwijl zij merkte hoe grondig zij geraakt werd door Graham en zijn videomanie. Waarom wilde ze anders meedoen? Wekte zij niet de indruk ergens in ingewijd te willen worden? Zij zou nieuw hebben kunnen worden, op de wijze van Buñuels Séverine, zoals gespeeld door Catherine Deneuve. Die ondergaat een metamorfose wanneer ze besluit om Belle de Jour te worden, en zich te verhuren tussen 2 en 5. Deneuve herwint volgens Buñuel in zijn Belle de jour zelfs haar onschuld. Maar Buñuel was dan ook een van de zeldzame harde moralisten van de filmgeschiedenis, - iemand die niemand wenste te verschonen van wat het betekent om de macht van fantasieën onder ogen te zien.

Het is onzin om te beweren dat het leven van metamorfoses als die van Belle de Jour beter wordt of leefbaarder. Het wordt er moeilijker van, want realistischer. Maar het therapeutische moralisme is in mijn ogen domweg niet moreel; het moffelt de krachten weg waar het om draait; het pretendeert een oplossing te geven, waar alles fragwürdig is. Ann wil Graham niet kennen, en dus ook zich zelf niet. Graham geeft zijn pogingen te willen weten op. Het weer dat in deze film gespeeld wordt is te mooi.

    • Willem Jan Otten