Het linoleum gaf mij lef; Mance Post over durf, auto's en levende vaders

Hoe Madelief van Guus Kuijer eruit ziet weten we dankzij het potlood van Mance Post, en de wereld van Toon Tellegen, waarin een olifant even groot is als een mier, kunnen we ons uitsluitend in haar linoleumsnedes en penseelstreken voorstellen. Ze tekent erg graag hazen "lange benen, lang lichaam, lange oren, als de tekst me vrij laat, grijp ik allicht naar zo'n haas' en ook graag engeltjes, "tegen de klippen op'.

Ik denk aan de regels "Want deze kat heeft het zó ver gebracht:- zij is de kat van de Schout-bij-nacht'. De woorden roepen ogenblikkelijk een nuffig, in zachte potloodveegjes neergezet katje op. Ze staat op haar achterpoten en kijkt koket op van de rechter poezepols waar ze een handschoentje vast heeft geknoopt. Ze is een dame, dus ze draagt slechts één welgekozen sieraad: een lange kralenketting die haar luxueuze vacht accentueert door erin schuil te gaan.

Soms wordt de illustratie het gedicht. Minetje van Annie M.G. Schmidt is het Minetje van tekenares Mance Post.

Mance Post (Amsterdam, 1925) verleent nu ruim dertig jaar gezicht aan de bladzijden van kinderboeken. “Ik was bedoeld voor dit vak,” zegt ze. Ze bedoelt dat ze als jong kind niet alleen zichzelf "mompelend verhalen zat te vertellen', maar dat ze vooral uitzonderlijk goed tekende. Op het Amsterdamse Montessori-lyceum werd haar talent ontwikkeld door Pieter Klaasse, toen tekenleraar, later docent aan de Gerrit Rietveld-academie. Na de Tweede Wereldoorlog moest ze van een voortgezette kunstopleiding afzien, later tot haar diepe spijt. Haar irritatie over het bericht dat de illustratie-afdeling van de Rietveld-academie is opgeheven, hangt met die spijt samen: “Die had juist uitgebreid moeten worden. Dat illustratoren met dédain worden bekeken, zal mij een zorg zijn. Maar het is een aparte kunst die lang niet iedereen beheerst, die een apart aanleg vereist. Niet iedereen die kan tekenen kan illustreren.”

Ze belandde in het onderwijs. Niet als tekenjuf, maar als klasseleidster. Toen ze negen jaar later, ze was inmiddels dertig, die baan door ziekte moest opgeven, besloot ze "de stap te wagen'. Ze zocht oude tekeningen op. Nieuwe waren er niet, want ze had weinig tijd over gehad en "een beetje tekenen' was tot haar verdriet nooit gelukt. Simon Carmiggelt introduceerde haar bij de Arbeiderspers. Men bekeek haar werk en gaf haar een eerste opdracht: het illustreren van de bundel Het schoentje van Roosmarijn van Han G. Hoekstra. Ze was angstig ("en dat is nooit overgegaan'), maar het boekje werd opgenomen in de lijst van de Vijftig Best Verzorgde Boeken en "dat hielp'. Mance Post was illustrator geworden en zou talloze school- en kinderboeken vorm geven. In 1979 verscheen Ik woonde in een leunstoel, een eigen boek van Post. Guus Kuijer tekende uit haar mond de woorden op bij een verzameling getekende, niet-sentimentele herinneringen aan de jeugd van een astmatisch bleekneusje in de Staatsliedenbuurt; aan haar huis ("bij Rath en Doodeheefver heb ik in een oud behangboek ons Chinese behang teruggevonden, die motieven kon ik zo overnemen'); aan haar vader ("Moeder leefde nog toen dit boek uitkwam. Ze zei: papa lijkt goed'); aan haar gesprekken met Josefine Beker, haar denkbeeldige vriendin. Suggestief voor jeugdige lezers en kijkers, aangrijpend voor hun ouders.

Voor die eerste opdracht, de bundel van Hoekstra, werkte Mance Post met uitgeknipte papieren figuurtjes in zwart en wit. Post: “Mijn illustraties bij de dierverhalen van Toon Tellegen [ze horen tot haar meest recente werk-JR] worden beschouwd als een radicale omslag in mijn stijl. Maar die eerste plaatjes werden ook al bepaald door zware contrasten.” Post wijt het aan haar vijfenzestigste verjaardag dat ze het avontuur met Tellegen aanging: “Ouderdom maakt me roekeloos.” Niet alleen leverde ze zich uit aan de voor haar nieuwe techniek van de linoleumsnede, ze moest voldoen aan Tellegens voorwaarde dat de dieren in zijn verhalen allemaal even groot zijn. “Een slak naast een giraffe en een kikker kun je aannemelijk maken, totdat er tafeltjes en stoeltjes bij staan,” weet ze inmiddels. Het kost Mance Post veel tactiek en inzicht om in zo'n geval te komen tot een geslaagde compositie, aangezien de officiële verhoudingen dan zwaarder wegen. Ze zoekt een bladzijde op met een olifant en een oesterschelp. Tellegens verhaal vertelt dat de olifant aanklopt, bij de oester naar binnen stapt, zich tot een dansje laat verleiden, om er dodelijk vermoeid weer uitgesmeten te worden. “Van dat plaatje heb ik spijt. De schelp is samen met die olifant onherkenbaar, het bleek teveel een voorwerp te zijn.”

Kippen

Voor Tellegens nieuwste verhalenbundel, Misschien waren zij nergens (1991) verving Mance Post het linoleummesje door het aquarel-penseel. De illustraties zijn nu jolig, soepel, swingend, en voorzien van duidelijke contouren, die niet in de weg staan van haar kenmerkende tederheid. “Het linoleum heeft me geleerd me te beperken tot de essentiële lijnen. Het heeft me lef gegeven.”

De kniptechniek waar ze mee begon, verliet ze snel. “Je verstopt je, met zo'n schaartje. Gewoon tekenen is directer en riskanter. Daarmee geef je je bloot. Mijn tekeningen zijn nog altijd heel voorzichtig. Soms denk ik, nu worden de tekeningen zo licht en dan dwing ik me tot meer duidelijkheid. Ik ben me steeds bewust dat ik de spullen van een ander tussen mijn vingers houd en die mag ik niet bederven. Faal ik, dan kwets ik. Dus ga ik bekommerd over straat en loop te piekeren hoe ik toch die giraffe op het balkonnetje krijg.”

Mance Post schept inderdaad met fijne lijnen, stipjes en krassen, of ze nu werkt in potlood of met sierlijke penseelstreken. Gebruikt ze kleuren dan doet ze dat met zachte hand. Geen grote vlakken rood, blauw of geel, maar mengtinten die in elkaar overlopen. De vorm van de figuren die ze oproept is niet experimenteel. Een meisje is een meisje, een nijlpaard een nijlpaard en een kabouter een kabouter, daar ziet Post zorgvuldig op toe. Toch zijn ze ook niet traditioneel en dat komt doordat haar tekeningen altijd te denken geven. Een wezen van Post is op eigenzinnige wijze zichzelf, of het nu een jongen is met een hengel of een mol die per abuis tegen een boom oploopt in plaats van de grond in. Het lijkt of ze al ergens bestonden. Ze hadden Post nodig om te voorschijn te komen en nu doen ze waar ze zin in hebben - in schijn gewoon, op het tweede gezicht merkwaardig.

Met een boek over raketten, treinen of andere machines moet geen uitgever bij Post aankomen. Ze heeft al moeite met een auto, zegt ze. “Mance, liet een jongen me voorzichtig weten, als die auto's van jou botsen, krijgen ze geen deuk, dan gaan ze bloeden. Een boek over de 17de-eeuwse scheepvaart heb ik met spijt in mijn hart afgewezen. Ik had dat schip nooit recht kunnen doen, ik had alles in de hut moeten laten gebeuren.” Post is goed in mensen en in dieren en vooral in de combinatie van die twee. Haar slungelige fantasie-hazen zijn onovertroffen “Met hazen kan je alles doen. Lange benen, lang lichaam, lange oren, als de tekst me vrij laat, grijp ik allicht naar zo'n haas. Niet wanneer het onderwerp een echte haas is. Dan ga ik naast een hok zitten kijken.”

De sfeer van haar tekeningen omschrijft ze als "veilig'. “Ik moet de woorden van de schrijver vertalen en dat doe ik aan de veilige kant, want ik vind de wereld gevaarlijk genoeg. Niet erger dan vroeger, hoor, dat niet. Want over welk vroeger spreek je dan? Vijftig jaar geleden moordden we elkaar uit. Bij mij thuis leek het veilig, maar tegen dood gaan konden mijn ouders niet op.

“Toen mijn vader was gestorven, zat ik niet te wachten op boeken over dode vaders. Ik wilde juist veilige boeken, waarin vaders niet dood gingen, maar thuiskwamen onder het strodak. Ik weet het, dat wordt al jaren afgedaan als escapisme. "Nou èn?' zeg ik dan. Wie wil er zijn kindertijd over doen? Bijna niemand, en dat is niet voor niets. Weinig kinderen hebben talent om kind te zijn, die komen pas als volwassene tot hun recht. Wie het niet aangenaam heeft, hoeft zijn eigen situatie niet ook nog eens in een boek ingewreven te krijgen. Die wil na een dag van breuken en enge meisjes graag wegvluchten. Ik heb niets tegen realisme, als het maar geen doel op zichzelf is. Neem Madelief [een romanpersonage van Guus Kuijer-JR], die heeft alleen een moeder. Ik heb het idee dat ze een buitenechtelijk kind is, maar daar wordt niet over gesproken, laat staan getobd. En die boeken zijn ook niet geschreven om aan te tonen dat een vrouw alleen best een dochtertje kan opvoeden. Het zijn reële gegevens, ontstaan als achtergrond voor wat het kind Madelief beleeft en denkt.”

Jampotje

De wezens en dingen die Mance Post laat ontstaan zijn actief. Soms reduceren ze de tekst tot zijn essentie: Annie Schmidts Dag meneer de kruidenier is voor Post alleen een taart. Soms worden ze zoekplaatjes, doordat ze vastbesloten zijn alles uit te stallen wat de tekst aanbood. En soms vertellen ze meer dan de tekst kwijt wil, bijvoorbeeld naast de hedendaagse bakerrijmen uit Ienne Biemans' bundels Mijn naam is Ka. Ik denk dat ik besta (1985) en Lang zul je leven (1988). Een mooi, kwasi-nostalgisch dreunrijmpje vertelt over iemand van "één dag oud', die "in de winde' zat en over een "schatbewaarder Flierefluit' die haar "in zijn aktentas' stopte. Het kind dat het gedichtje voorgelezen krijgt, zal zeker de betovering van Biemans' metrum en klank ondervinden, maar de betekenis van het vers blijft duister. Die reikt de illustratie aan: een mannetje met een vangnet ... een jampotje ... hé! zijn dat geen vlinders, daar in die schilderij-lijst?

“Ik verzin een ingang,” zegt Mance Post. “Je laat een kind een tijdje tobben op de derde traptree, maar dan geef je het toch een hand? En een gedicht als "Kaatje ging ter ziele' zou met die "wagenwielen wit van ijs' eng kunnen zijn, ook al loopt het uit op een rode baljapon.” Post doet daar wat aan. Ze heeft weinig moeite met het neerzetten van de hemel en van de dood: “Ik teken engeltjes tegen de klippen op.” Er zijn ook gevleugelde honden en soms springen de engelen touwtje op hun wolk. “Je moet toch iets doen, in die hemel?”

Haar neiging tot interpreteren weegt Post af tegen haar verantwoordelijkheid tegenover de auteur. Niet dat ze die om advies zal vragen. Het contact met schrijvers gaat ze het liefst uit de weg. Het maakt haar nerveus, zegt ze. “Ze hebben zelden een bruikbaar beeld in hun hoofd. Ik heb liever dat ze me achteraf vragen om iets te veranderen.” Zo ontmoette Post de schrijver Guus Kuijer pas nadat ze zijn eerste Madeliefboek, Met de poppen gooien (1975), had geïllustreerd. “We spraken nooit over het boek, tot Guus op een kinderboekenmarkt een meisje aanwees. Een frêle kindje met witblond, sluik haar. "Dat is nou Madelief', zei hij. Ik dacht, dat kan wel waar zijn, maar dat is 'r helemaal niet. Dat kind is leuk, maar lang niet stevig genoeg.”

Madelief was getekend naar een meisje uit de omgeving van Mance Post, net als de andere kinderfiguren die ze tekent. Ze houdt dikke schetsboeken bij waarin ze de kinderen vastlegt die ze kent en die bij haar binnenlopen. “Uit mijn hoofd tekenen kan ik niet. Ik heb de natuur nodig en dus verzamel ik: hoe doet een kind een broek aan, hoe ligt het op de grond, hoe krabt het op zijn hoofd. Ik vraag kinderen om dat even voor me te doen. In hooguit twee minuten maak ik een schetsje. Niet langer, anders zouden ze mijn huis gaan mijden als de pest.”

Post hield vast aan haar eigen type en na het derde boek stuurde Kuijer haar een briefje. "Ik ben nu in gedachten over op jouw Madelief', las ze.

    • Joyce Roodnat