Door breuk in klepprothesen 24 sterfgevallen

ROTTERDAM, 4 OKT. Als gevolg van breuken in Björk-Shiley hartklepprothesen zijn in Nederland sinds 1981 24 patiënten overleden. In totaal zijn tussen 1979 en 1985 in ons land 2.617 klepprothesen van fabrikant Björk-Shiley geïmplanteerd bij 2.303 patiënten, waarna 42 keer een breuk is gemeld.

Voor de dragers van deze kleppen zou een heroperatie moeten worden overwogen om de kleppen te vervangen. Het risico van de operatie moet dan echter kleiner zijn dan het risico op een klepbreuk. Het betekent dat de patiënt in goede conditie moet zijn, want de kans op een fataal verlopende hartklepoperatie is ongeveer 1,5 procent, terwijl de tot nu toe bekende kans op klepbreuk 0,34 procent of 2,33 procent is, respectievelijk voor de 60ß8 en 70ß8 CC klep, de twee typen van Björk-Shiley waar problemen mee waren.

Dit advies heeft de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid vandaag bekendgemaakt op basis van een onderzoek naar breuken van hartklepprothesen van Björk-Shiley in Nederland.

De meeste patiënten met de betreffende klepprothesen zijn inmiddels door hun cardioloog op de hoogte gebracht. De inspectie dringt aan op een aparte registratie van patiënten bij wie een kunstklep is geïmplanteerd. Het was nu moeilijk te achterhalen wie van de kunstklepdragers nog in leven waren, of wat hun eventuele doodsoorzaak was. Gemiddeld is 75 procent van de mensen met een klepprothese na tien jaar nog in leven. Er overlijden dus veel meer mensen aan andere oorzaken dan aan klepbreuk.

In Nederland ontstond in 1982 grote opwinding over de klepbreuken. Er werden Kamervragen gesteld en de Consumentenbond dreigde de Inspectie in 1987 met een kort geding als er geen onderzoek zou worden gestart.

De problemen met de Björk-Shiley 60ß8 kunstklep werden in 1978 in de VS bekend, twee jaar nadat de klep voor het eerst was gebruikt. In Nederland werd deze klep een jaar later voor het eerst geïmplanteerd. Deze kunstklep is, ondanks de regelmatige breukmeldingen, tot 1986 in produktie gebleven.