De wet van de vertrapping; Tentoonstelling in Berlijn over de 'Operatie Barbarossa'

Op 22 juni 1941 vielen Duitse troepen de Sovjet-Unie binnen. Het was een vernietigingsoorlog die met feilloze precisie werd uitgevoerd. In Berlijn is nu een tentoonstelling van foto's en documenten te zien over de "Operatie Barbarossa', zoals de militaire codenaam van de invasie luidde. “Het grootste deel van de Duitse bevolking wilde na de oorlog niets van schuld en berouw weten.” Tentoonstelling "Der Krieg gegen die Sowjet-Union. 1941-1945. Eine Dokumentation zum 50. Geburtstag des Überfalls auf die Sowjet-Union'. T-m 31 dec. Tentoonstellingsruimte "Topographie des Terrors', bij de Martin-Gropius-Bau, Stresemannstrasse 110, Berlijn. Di-zo 10-18u.

De tentoonstelling maakt deel uit van een uitgebreid herdenkingsprogramma van de oorlog tegen de Sowjet-Unie in Duitsland. Tot aan het eind van dit jaar worden er lezingen gehouden, er zijn Russische, Amerikaanse en Duitse "oorlogsfilms' te zien en historische documentaires op televisie.

Aan de voet van de Muur ligt een rechthoekige vlakte. De bodem is oneffen en bezaaid met stenen. Op het eerste gezicht een vlakte zoals er zoveel van zijn in de buurt van de oude Muur in Berlijn. Toch is er een belangrijk verschil. De vlakten langs de oevers van de Spree, bij de Brandenburger Tor en de Reichstag bij voorbeeld, zijn chaotische vlakten: de wachtposten zijn in allerijl verlaten, prikkeldraadversperringen zijn haastig doorgeknipt, in wilde euforie zijn brokken uit de Muur geslagen. Deze chaos is maar tijdelijk. Want met westers kapitaal zullen de troosteloze oevers in het voormalige Oost-Berlijn snel in aantrekkelijke wandelpromenades veranderen en zal de omgeving van de Tor met bloemperken, bankjes en terrassen worden verfraaid. Deze wanorde houdt verandering en vernieuwing in, en stemt daarom hoopvol.

Maar de puinvlakte die ingeklemd ligt tussen de Stresemann-, de Anhalter-, de Wilhelm- en de Niederkirchnerstrasse, is verstard in zijn wanorde sinds de geallieerden in 1944 en 1945 de gebouwen plat bombardeerden. Op het vroegere Prinz-Albrecht-Gelände, waar in de negentiende eeuw een van de mooiste en meest bezongen paleistuinen van Europa lag, woekerde tussen 1933 en 1945 Hitlers terreur. Op en rond het terrein, in oude paleizen en herenhuizen, bevonden zich de meest gevreesde Dienststellen van het Derde Rijk: de hoofdkwartieren van de SS, de SD, de Gestapo (met de beruchte "Hausgefängnis') en de Reichssicherheits-dienst. In dit nationaal-socialistische bolwerk kwamen alle berichten van de inlichtingendiensten samen; hier werden communisten en socialisten gevangen gehouden, gemarteld en vermoord; hier werden de organisatorische voorwaarden voor deportatie en vernietiging van Joden geschapen; hier ook stelde Heinrich Himmler de regels voor zijn Einsatzgruppen op, die in de Sovjet-Unie beestachtig huis moesten houden. "Topographie des Terrors' heet het Prinz-Albrecht-Gelände nu.

Mijn doel is een laag gebouwtje met opvallend grote ramen, een tot tentoonstellingsruimte omgebouwde Gestapo-kantine, waar een expositie is te zien over "Operatie Barbarossa' - de militaire codenaam voor de Duitse aanval op de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Net als buiten, is het binnen in de expositiezalen rustig. Schoolkinderen op werkweek en een paar veertigers kijken, net als ik, naar een geschiedenis die ze niet hebben beleefd. Er is, met uitzondering van een dove suppoost, niemand die de oorlog heeft meegemaakt. Tentoonstellingsschotten, beplakt met foto's en teksten uit Russische en Duitse archieven, hebben de ruimte veranderd in een benauwend labyrint. Onverbiddelijk leiden de documenten je vanaf het ontstaan van het Russische vijandbeeld in de negentiende eeuw, langs de koel zakelijke voorbereidingen én de uitvoering van de "Vernichtungskrieg', naar de verovering van Berlijn en de instorting van het Derde Rijk in 1945. Ook de naoorlogse tijd komt aan bod.

Er zijn dagboekfragmenten van ooggetuigen, amateurfoto's, fragmenten van brieven en militaire documenten. Ik lees het nuchtere relaas van een bevelhebber van Einsatzgruppe C over de massa-executie in Babi-Jar, bij Kiev. Op 29 en 30 september van dat jaar werden daar 33.771 joden geëxecuteerd. De Oekraïense bevolking en kozakkensoldaten hielpen de Duitsers graag. Een foto confronteert me met wat ik liever helemaal niet wil zien: tot hun onderbroek uitgeklede, kleumende vrouwen en kinderen aan de rand van een ravijn, vlak voor hun executie; onder hen stapelen zich de lijken op in een schemerige vlek wit vlees. Gelukkig kan ik de gezichtsuitdrukkingen van de slachtoffers niet onderscheiden, zo onscherp en van zo veraf is de foto genomen.

Bij een foto waarop vier Duitse soldaten met hun geweer in aanslag, al poserend, burgers in Litouwen executeren, is distantie niet meer mogelijk. Geknield zitten vier Litouwers voor het graf dat ze net zelf hebben gegraven. De foto is van dichtbij genomen - ik schat een meter of drie. De soldaat die het dichtst bij de camera staat, spant lachend de haan van zijn Luger. Zijn slachtoffer, een man van een jaar of veertig, helt met een kaarsrechte rug naar voren op zijn knieën, richting graf. De mond van de man hangt open.

Schuld

De hele tentoonstelling door en lange tijd daarna blijft de klakkeloosheid van de Duitsers me bij. De Duitse propaganda afficheerde de oorlog die op 22 juni begon als een kruistocht tegen de "Aziatische horden' en het "joods-bolsjewisme'. Gebiedsuitbreiding was noodzakelijk om het Duitse volk "Lebensraum' te geven.

Maar dit is theorie, en hoe indoctrinerend zij ook was, het blijft onbegrijpelijk hoe gemakkelijk de gewone dienstplichtige soldaat zich oog in oog met een Rus liet verleiden tot de meest barbaarse daden. 27 Miljoen Russen lieten het leven in deze "Grote Vaderlandse Oorlog'. Daaronder waren talloze burgerslachtoffers, partizanen en krijgsgevangen soldaten, die door de Duitsers verdelgd werden alsof het luizen en vlooien waren. Soldateneer gold niet in deze strijd tegen "Untermenschen'. “Wij voeren geen oorlog om de vijand te conserveren,” schreef Generaloberst Halder op 30 maart 1941 in zijn dagboek. “De communist is niet onze kameraad, niet voordat deze oorlog begon en ook niet daarna. Wij voeren een vernietigingsoorlog.” Deze vernietigingsoorlog werd met feilloze precisie, van hoog tot laag, in praktijk gebracht.

Slechts bij enkelen daagde een besef van de gruwelijke rol die het Duitse leger speelde, en van de gespletenheid die nodig was om zich aan het Oostfront te handhaven. Soldaat Robert Rupp schreef in een brief aan zijn vrouw thuis in Stuttgart: “Wie hier leeft, heeft duizend keer geleerd zijn gevoelens te onderdrukken. (-) Zeer zelden heb ik gehuild. Hier heeft huilen geen zin, zelfs niet bij de treurigste beelden. Huilen kun je alleen als je in het leven staat. Pas als ik weer bij jullie thuis ben, zal ik mijn tranen de vrije loop laten. (-) Soms komt een besef van de schuld en de armoe van de mensheid in me op, en dan maakt een diepe schaamte zich van me meester. Ik schaam me ervoor dat je van me houdt, dat er iemand is die van mij houdt.”

Schuld en schaamte voelde Robert Rupp. En hij hoopte dat hij die gevoelens eenmaal thuis in de Heimat zou kunnen verwerken. Zijn hoop bleek ijdel. Het grootste deel van de Duitse bevolking wilde na de oorlog niets van schuld en berouw weten. Had de Duitse bevolking ook niet te lijden gehad onder bombardementen? Waren de Duitsers zelf ook niet het slachtoffer van de Russen? Hoeveel vrouwen en meisjes waren niet door de Russische soldaten verkracht en vermoord? Hoeveel Duitse soldaten achter het front lafhartig door partizanen in hinderlagen gelokt en op afschuwelijke wijze afgeslacht? Dan hadden de Duitsers toch het recht om zich te verdedigen?

De daders transformeerden zichzelf tot slachtoffers; de wolf zocht zijn schaapskleren op. In de na-oorlogse Duitslanden bestond er geen werkelijke reflectie over de misdaden die in hun naam in het oosten waren gepleegd. In de DDR drong de gedwongen vriendschap tussen het Sovjetvolk en het Duitse volk een kritische beoordeling van het verleden naar de achtergrond. In West-Duitsland zorgde de Koude Oorlog voor een klimaat waarin van schuldbekentenis tegenover het Sovjet-volk geen plaats was. In Neurenberg veroordeelde oorlogsmisdadigers werden wegens "goed gedrag' of een tanende gezondheid voortijdig - de meesten al in het begin van de jaren vijftig - vrijgelaten. Vroegere nazi-topmannen en SS-ers kwamen weer terecht in leidinggevende posities.

Ik lees een rede van de staatssecretaris voor Gesamtdeutsche Fragen Franz Thiedeck uit mei 1952, waarin hij de Russen in bijna dezelfde termen en met dezelfde hitsige toon omschrijft als de nazi's in de jaren dertig en veertig deden. “Steeds maar weer in de geschiedenis hebben oostelijke vloedgolven zich in het hart van Europa proberen in te branden: ik herinner u aan de Awaren en de Hunnen, aan de horden van Dzjengis Khan en aan het oprukken van de Turken. Vandaag de dag staat opnieuw een Aziatische grootmacht aan de Elbe en de Werra, aan de Saale en het rand van het Böhmerwald, in het hart van Wenen. Meer dan ooit tevoren moeten nu alle Europese krachten gebundeld worden om te beschermen wat het christelijk humanisme in eeuwen opbouwde.”

Blinde vlek

De tentoonstelling op de "Topographie des Terrors' legt het Duitse verleden en de gebrekkige verwerking daarvan onbarmhartig bloot. Het is een mea culpa die iedere bezoeker treft; een aanklacht tegen het nazistische systeem, tegen de mentaliteit die dit systeem leidde en die nog steeds bestaat - getuige de recente uitbarstingen van vreemdelingenhaat in Duitsland. Maar door alle gruwelijke sensaties die dit oplevert, ben je geneigd een belangrijk gemis van de expositie over het hoofd te zien. Hoewel met veel tam-tam is aangekondigd dat voor deze tentoonstelling nu eindelijk, dank zij de glasnost, ook uit militaire Sovjetarchieven is geput, blijkt er verrassend weinig Sovjetmateriaal te zijn.

Er zijn weliswaar onschuldige notities over wachtwisselingen, gevonden in broekzakken van gedode Russische soldaten; fragmenten uit officiële redevoeringen van Stalin en Molotov, en natuurlijk de foto's die de Duitse wandaden illustreren. Maar het zijn stuk voor stuk documenten die de slachtofferrol van de Sovjet-Unie beklemtonen. Onbesproken blijven de minder rooskleurige kanten in de Stalinistische samenleving.

In de niet op de tentoonstelling aanwezige memoires van Olga Freidenberg, een vriendin en nicht van Boris Pasternak, lees ik bij november 1943: “Het was verboden (tijdens de blokkade van Leningrad, LtB) je hart te luchten, te klagen of om hulp te vragen. De kranten en radio bazuinden de onverschrokkenheid en moed van de belegerden. Oh, wij geven de stad niet over! (-) Vaak bekroop je de gedachte: wie zijn hardvochtiger, degenen die levende mensen in een doodkist opgesloten houden, of degenen die ze neerschieten? (-) Niets vermocht op enig moment onze machthebbers te bewegen tot overgave van de stad, tot enige onderhandeling of enig akkoord voor de levering van hulp aan de slachtoffers. Hier was de ongeschreven wet in werking van vertrapping van je medemens. Dat heette dapperheid, heldenmoed van de belegerden, die vrijwillig hun leven voor het vaderland gaven.”

Zo cynisch als Freidenberg reageert, zo bedrogen en in de steek gelaten voeldem ongetwijfeld de honderdduizenden krijgsgevangen Russen, toen bleek dat "vadertje' Stalin hun bestaan ontkende: een vaderlandslievende Rus vocht zichzelf dood en gaf zich niet over. Krijgsgevangenen en dwangarbeiders die na de oorlog gerepatrieerd werden, zond Stalin als "staatsvijandige elementen' naar Siberische kampen of liet ze terechtstellen voor het vuurpeloton.

Toen de expositie werd samengesteld, was in de Sovjet-Unie een groep historici in opdracht van het ministerie van defensie bezig de geschiedenis van de "Grote Vaderlandse Oorlog' te herschrijven. Nadat in juni van dit jaar het eerste deel af was, werd het door de redactiecommissie afgewezen wegens te vergaande kritiek op het communisme. Nu na de coup de macht van de communistische partij gebroken is, zal zich zeker een nieuwe generatie herschrijvers aandienen; een generatie die wellicht de blinde vlekken in de sovjetgeschiedenis zichtbaar zal maken.