De "Kleine Reus' ontrafelt apartheid

“Nadine Gordimer schrijft bewogen en direct over de zeer gecompliceerde persoonlijke en sociale verhoudingen in de maatschappij waarin ze leeft”. Zo verantwoordde de Koninklijke Zweedse Academie gisteren de toekenning van de Nobelprijs voor de literatuur 1991 aan de Engelstalige Zuidafrikaanse schrijfster.

“The tension between standing apart and being fully involved, that's what makes a writer” (het spanningsveld tussen het zich afzijdig houden en volledig betrokken zijn, dat is wat iemand tot schrijver maakt), schreef Nadine Gordimer eens in een beschouwing over literatuur en engagement. Zij verwoordde daarmee een credo dat, tot in zijn formulering, voortvloeit uit de specifieke context waarbinnen zij leeft en werkt: de door de apartheid gedomineerde samenleving van Zuid-Afrika. Voor de indrukwekkende manier waarop de schrijfster in haar werk aan dat credo gestalte heeft gegeven - precies, analytisch, ironisch, maar ook men een onmiskenbare betrokkenheid - kreeg ze de Nobelprijs.

Gordimer, die met haar uitzonderlijke literaire kwaliteiten al epitheta als de "Grande Dame' en de "Kleine Reus' van de Zuidafrikaanse letteren had verdiend, is de zevende vrouw die deze sinds 1901 jaarlijks toegekende onderscheiding kreeg.

Ze werd in 1923 in een mijnwerkersdorp in de buurt van Johannesburg geboren, als dochter van joodse immigranten. Haar vader was afkomstig uit Litouwen, haar moeder uit Engeland. In een in 1988 gepubliceerde bundel beschouwingen The Essential Gesture vertelt Gordimer hoe zij al jong in opstand kwam tegen alles wat naar regels en conventies zweemde. Lezen en al heel snel ook schrijven boden een tegenwicht tegen verveling op school en tegen het vooruitzicht op een vanzelfsprekend geachte toekomst van huwelijk en moederschap.

Gordimer observeerde en analyseerde haar omgeving om stof voor haar verhalen te verzamelen en kwam daarbij langzaam maar zeker tot het inzicht dat er iets merkwaardigs school in de verschillen tussen de leefwijze van de blanken in haar dorp en die van de zwarte mijnwerkers: “Het waren niet de problemen van mijn land die me er toe hebben gebracht te gaan schrijven, maar het waren integendeel mijn pogingen om te leren schrijven die mij de ogen geopend hebben voor wat er mis was met de Zuidafrikaanse manier van leven”.

Gordimers schrijversloopbaan valt samen met de naoorlogse geschiedenis van de apartheid. Zij publiceerde haar eerste verhalen onder de titel Face to Face in 1949, een jaar nadat de gezamenlijke verkiezingszege van de "boerenpartijen' (de Nationale Partij en de Afrikaner Partij) de weg had vrijgemaakt voor de wettelijke invoering van de apartheid. De zeven verhalenbundels en tien romans die zij in de daaropvolgende veertig jaar liet verschijnen en waarin successievelijk de verschillende episodes uit de recente Zuidafrikaanse geschiedenis aan de orde zijn gekomen, laten zich lezen als een zeer gevarieerde, veelzijdige kroniek van het leven onder het apartheidsregime.

Een kroniek, waarvan de toon in de loop der jaren steeds somberder werd, want elk nieuw decennium leken de kansen op een vreedzame coëxistentie van zwart en blank verder afgenomen.

De Zweedse Academie roemt in het bijzonder de romans die Gordimer in de grillige jaren zeventig schreef, The Conservationist (1974), Burgher's Daughter (1978) en July's People (1981). The Conservationist en July's People zijn variaties op het meester-knecht-thema en laten zien dat de blanke die denkt dat Zuid-Afrika zijn rechtmatige eigendom is en de Afrikaan zijn natuurlijke ondergeschikte, zich deerlijk vergist. In The Conservationist wordt het plezier van de blanke eigenaar van een boerderij in zijn bezittingen grondig vergald door een onopgehelderde moord op een naamloze Afrikaan wiens lichaam op zijn grongebied begraven wordt en bij een overstroming in half ontbonden toestand weer tevoorschijn komt. De symboliek is duidelijk: de blanken hebben Zuid-Afrika onbewoonbaar gemaakt en kunnen geen aanspraak meer maken op de grond waarin hun slachtoffers begraven liggen.

Burgher's Daughter schetst de problemen waarmee blanke anti-Apartheidsstrijders geconfronteerd worden en waar ook Gordimer zelf mee kampt: het conflict tussen persoonlijke vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid enerzijds en de afwijzende houding van radicale zwarten anderzijds die ook de blanken die aan hun zijde staan het recht ontzeggen om zich Zuidafrikaan te noemen.

Bij het schrijven van Burgher's Daughter heeft Gordimer zich laten inspireren door het levensverhaal van de blanke advocaat Abram Fischer die als lid van de verboden Zuidafrikaanse Communistische Partij in 1966 terecht stond en veroordeeld werd tot levenslange gevangenisstraf.

In Gordimers romans fungeert het leven in de Zuidafrikaanse samenleving met zijn moeilijke dilemma's als een vuurproef voor persoonlijke integriteit, waar maar weinige van haar personages zonder kleerscheuren uit tevoorschijn komen. Die personages vertegenwoordigen alle groeperingen binnen die samenleving, vanuit de conservatieve blanken tot geëngageerde anti-Apartheids-activisten, van geknechte zwarte bedienden tot geëmancipeerde goed geschoolde vrijheidsstrijders zoals bijvoorbeeld de hoofdpersoon in haar meest recente roman, My Son's Story. Die breedheid gaat echter niet ten koste van de psychologische diepgang. De manier waar Gordimer het net van complexe paradoxen ontrafelt waarin de Apartheid haar landgenoten nog steeds gevangen houdt, is doorgaans trefzeker en subtiel, mede dankzij een geraffineerd gebruik van verschillende verteltechnieken.

Ondanks de bannings op verschillende van haar romans is Nadine Gordimer altijd in Zuid-Afrika blijven wonen. Haar kritiek op het regime werd haar niet in dank afgenomen, maar als blanke en internationaal bekende schrijfster bleef haar lot bespaard van vele zwarte auteurs, die monddood werden gemaakt, gevangenisstraffen kregen en uiteindelijk meestal in ballingschap gingen. Veel van de Afrikaanse vrienden waarmee zij in de jaren vijftig samenwerkte en publiceerde, heeft Gordimer zo zien verdwijnen en daarmee ook het door haar vurig gekoesterde ideaal van een gemeenschappelijke letterkundige traditie. De nu aan haar toegekende Nobelprijs stelt haar in staat opnieuw naar de verwezenlijking van dit ideaal te streven door middel van de oprichting van een fonds voor jonge zwarte schrijvers.