60.000 levens in een Moskouse kelder; Archieven van Stalins vernietigingsmachine gaan voor deel open

MOSKOU, 4 OKT. “Hé juffrouw, ben jij nudiste”, vraagt de oude man met de lange witte baard die Nikolaj heet in de hal van de Moskouse KGB waar ik zit te wachten op toestemming om de archieven te zien. “Ikzelf ben gek”, verklaart hij vertrouwelijk als ik hem heb moeten teleurstellen. “Ik heb vijfentwintig jaar in een gesticht gezeten. Ze hebben me ingespoten met alles wat je maar kunt bedenken, omdat ik de waarheid zei. Nu kom ik om rehabilitatie van mijn vader vragen, die bij de collectiviseringscampagne is omgekomen.” Nadat hij mij ten huwelijk heeft gevraagd verschijnt er een jonge KGB'er, die zijn verzoekschrift om rehabilitatie in behandeling heeft: “Kom vader, laat die dame met rust”, en hij verdwijnt door een deur, met Nikolaj, die me ten afscheid een handkus geeft.

De Moskouse KGB-organisatie, die in 1954 werd opgericht, woont in een klein blauw herenhuis, onder de vleugels van het KGB-hoofdkwartier de Loebjanka. Het is maar een steenworp afstand, maar een hemelsbreed verschil: de Loebjanka, een en al marmer, roodfluwelen tapijten en zware eikenhouten deuren, met twee geüniformeerde wachtposten bij de ingang - en de afdeling Moskou, in een verzakt pand dat op instorten staat, donkere stoffige gangen, kleine benauwde kamertjes en dezelfde rotzooi als in elk doorsnee Russisch kantoor. Er verstrijken drieëneenhalf uur voor ik het heiligdom mag betreden.

Na de mislukte staatsgreep heeft de KGB, tot over haar oren medeplichtig, een flinke douw gekregen. Chef Vladimir Krjoetsjkov zit in de gevangenis, hij is vervangen door Vadim Bakatin, die beloofd heeft de demontage van de organisatie krachtig ter hand te zullen nemen. In de chaotische augustusdagen heeft Boris Jeltsin bevolen de archieven van de KGB over te dragen aan Rosskomarchiv, het Russische staatsarchief. Een landelijke commissie moet de centrale KGB-archieven bekijken, een Moskouse commissie, ingesteld door burgemeester Gavriil Popov, heeft zich op de archieven van de Moskouse KGB gestort. De landelijke commissie heeft de uitgebreide KGB-archieven, die zich ergens in een groot gebouwencomplex buiten Moskou zouden bevinden, nog niet te zien gekregen. De Moskouse commissie is de eerste schermutselingen met de wantrouwige KGB'ers al aangegaan. Zal dan nu eindelijk de meest gesloten organisatie van het land haar diepste geheimen bloot geven?

We lopen door een donkere gang, langs een schilderij van KGB-grondlegger Feliks Dzerzjinski, dat gesierd wordt door een kogelgat, achtergelaten door een binnengedrongen vijand van de dienst. Op de grond liggen stapels formulieren met het opschrift "Topgeheim'. In een piepklein hokje met een cartotheek zit de historicus Arseni Roginski, lid van de archiefcommissie en een van de oprichters van de antistalinistische vereniging Memorial. Zijn ogen schitteren, hij windt zich op. Hij bladert door de mappen met zaken tegen vijanden des volks. Hij wijst op de cartotheek met duizenden namen van mensen die na Duitse krijgsgevangenschap door zogenoemde "filterkampen" zijn gegaan om op hun betrouwbaarheid getest te worden. “Kun je je dat voorstellen”, briest hij, “jarenlang zitten die ellendelingen bovenop dit kolossale materiaal en ze zijn te dom om te begrijpen wat ze in handen hebben! Hier ligt het levensverhaal van duizenden mensen weggestopt.”

Roginski toont de protocollen van de zogenoemde "trojka's', die in de jaren dertig, zonder enige bemoeienis van de rechtbank, hun gruwelijke doodvonnissen uitspraken. Vasili Zorin, geboren in 1878, metropoliet en voorzitter van de kerkraad, “wordt beschuldigd van het feit dat hij leider en organisator was van een fascistische anti-Sovjet-organisatie van kerkelijke personen, terroristische opstandelingengroepen organiseerde in de provincie en het fascisme propageerde”. Geëxecuteerd in 1937. “Ongeveer tachtig procent van de mensen die in handen van de trojka's vielen, werd volgens mijn inschatting geëxecuteerd”, zegt Jevgeni Stepanov, de archivaris die deze documenten onder zijn hoede heeft. De archivaris, zelf overigens geen KGB'er, is een wonderlijke veertiger met naïef-kinderlijke ogen, die de hele dag tussen deze gruwelijke papieren werkt. De filterkampen zijn zijn specialiteit. De hele dag behandelt hij aanvragen van mensen, die voor het uitbetalen van hun volledige pensioen bevestiging nodig hebben van het feit dat ze in Duitse krijgsgevangenschap hebben gezeten, maar zich niet aan collaboratie schuldig hebben gemaakt. Dit is een typisch voorbeeld van het fanatisme van de Russische bureaucratie. Drie jaar krijgsgevangenschap betekent drie jaar onderbreking van je dienstverband en dat betekent op je oude dag een paar roebel minder in je portemonnee, en dat is hier voor oude mensen van levensbelang.

Roginski toont de map van een jood die uit een Duits concentratiekamp ontsnapte, een Russische naam aannam en naar Rusland terugvluchtte, om vervolgens door een trojka ter dood te worden veroordeeld. In zijn map zit een speciaal voorbedrukt formulier met het opschrift "Aangifte door agent' (schuilnaam "Huwelijksnacht') met uit de lucht gegrepen beschuldigingen. Je blijft je verbazen over de hardnekkige ijver waarmee de NKVD, de voorloper van de KGB, al deze voorgekookte zaken van de benodigde documenten voorzag.

Kolonel Anatoli Jevdokimov (44), een KGB'er van het vlotte carrièretype, is souschef van de Tiende afdeling, de documentatie- en archiefafdeling van de Moskouse KGB. Gisteren was Krjoetsjkov zijn chef en liet hij zelfs zijn eigen medewerkers niet toe in de geheime archieven, vandaag luistert hij naar Bakatin en doet hij de deur open voor buitenlandse journalisten. “Het zijn cerberussen, kettinghonden”, zegt Roginski, die zelf tijdens Brezjnev vier jaar strafkamp heeft uitgezeten omdat hij zonder toestemming was doorgedrongen in gesloten archieven. Jevdokimov is van het slag dat stug volhoudt dat de KGB zich altijd strikt aan de geldende wetgeving heeft gehouden. Hij begrijpt niet waarom de mensen ooit bang zijn geweest voor de KGB. De archieven laten hem koud. “Het is gek”, zegt hij, “sommigen lopen er geweldig warm voor, maar ik loop er gewoon langs. Het zegt me helemaal niets.” Roginski glimlacht sarcastisch.

Op bevel van Jevdokimov gaat de stalen deur naar het archief met de Moskouse onderzoekszaken open. Hier staan zestigduizend mensenlevens uit de periode 1918 tot 1985 in kartonnen archiefdozen bijeen. Zestigduizend mensenlevens in een Moskouse kelder, en dit is maar een fractie van het hele KGB-archief. De meesten zijn veroordeeld op grond van het beruchte artikel 58 uit het wetboek van strafrecht van 1926: contrarevolutionaire misdrijven. Dit elastieken artikel is pas in 1961 uit het wetboek verwijderd. Het merendeel van de mensen in deze kelder is inmiddels, al dan niet postuum, gerehabiliteerd. Vadim Koezmin, een jonge KGB-archivaris die in 1986 afstudeerde aan het Historisch-archiefinstituut, pakt een willekeurige doos.

Roeben Sjchiants, Armeniër, in 1897 geboren in Bakoe, lid van de contrarevolutionaire Dasjnakenpartij, gearresteerd op 15 augustus 1937 op beschuldiging van "sabotage, gericht op de vernietiging van de veestapel' (artikel 58-7). Sjchiants bekende schuld en kreeg acht jaar kamp omdat hij “als veterinair assistent van de veekolchoz Poesjkin met boos opzet en met contrarevolutionaire doeleinden de dekking van 210 vosseteefjes verhinderde en tevens door middel van het toedienen van schadelijke voeding aan drachtige vosseteefjes de dood van 353 jongen veroorzaakte, wat de veekolchoz aanzienlijke materiële schade berokkende”. Het staat er echt, zwart op wit. Sjchiants stierf in 1943 in het kamp Sevzjeldorlag in de Komirepubliek in Noord-Siberië. In 1957 kreeg zijn dochter te horen dat hij gerehabiliteerd was.

Koezmin werkt voornamelijk voor de KGB-commissie, die zich sinds begin 1989 met de rehabilitaties bezighoudt. Het leek hem interessant werk. Een KGB-rang heeft hij nog niet, de putsch is ertussen gekomen, zegt hij spijtig. Zijn KGB-speldje moet ergens op een plank zijn blijven slingeren. Koezmin voelt geen vijandschap van het publiek tegenover KGB'ers, hij heeft ook nooit verhuld dat hij voor "de organen' werkt. In 1954, vertelt hij, zijn er op last van Chroesjtsjov een groot aantal archiefdocumenten vernietigd. “Chroesjtsjov, de grote antistalinist, moest zijn verleden uitwassen. Als eerste partijsecretaris van de stad Moskou stond zijn handtekening automatisch onder de executieprotocollen van de trojka's.” De trojka (het paardendriespan) dankt zijn naam aan het feit dat er onder de vonnissen drie handtekeningen stonden, één van de NKVD, één van de procureur en één van de eerste partijsecretaris van de stad in kwestie.

Het is moeilijk werken voor de archiefcommissie omdat er in de Sovjet-Unie nog geen archiefwet en geen wet op staatsgeheimen bestaat, vertelt Roginski. De commissie moet een inventarisatie maken van de archieven en aanbevelingen doen welke documenten kunnen worden vrijgegeven. “Wij moeten op ons gevoel afgaan. De eerste dagen waren de KGB'ers heel terughoudend, ze beschouwden ons als een stelletje revolutionaire commissarissen uit 1918, maar nu zijn ze aan ons gewend geraakt. Hun interne documenten en de gegevens over KGB-agenten willen ze ons natuurlijk niet laten zien. Bakatin vreest de volkswraak, als we al dat materiaal zouden vrijgeven. Maar neem nu de archieven van de spionagedienst. Die bevatten allerlei geheimen, die ons bovenmatig interesseren. Ik noem maar wat: de moord op Trotski. Moeten die documenten vrijgegeven worden of niet? Of moet hier wellicht met een verjaringstermijn worden gewerkt?”

Een groot probleem voor de KGB vormen de republikeinse onderafdelingen van de dienst. De Litouwse KGB is al opgeheven, de andere diensten zullen onafhankelijk worden, maar wat te doen met hun archieven? “In de jaren dertig werd iemand aangeven als een daad van patriottisme beschouwd. Stel je voor wat er gebeurt als we die gegevens in de republieken nu gewoon vrijgeven. In veel gebieden van ons land heersen nog de wetten van de bloedwraak. Dat zal tot bloedvergieten leiden”, zegt Vjatsjeslav Nikonov. De jonge historicus, assistent van Bakatin, huist sinds een maand in de Loebjanka. Hij vindt het een deprimerend gebouw. “De decentralisatie van de KGB brengt allerlei problemen met zich mee die door middel van onderhandelingen moeten worden opgelost. Hoe beschermen wij de KGB-medewerkers in de republieken? Hoe wordt in de toekomst de grensbewaking, tot voor kort een KGB-taak, geregeld? Hoe garanderen wij de veiligheid van documenten, wier publikatie de staat schade zal berokkenen? Ook bestaat het gevaar dat er informatie weg zal lekken via hen die zich door het mislukken van de putsch aan de kant gezet voelen.”

Roginski, die al dwalend door de gangen van het KGB-gebouw het gevoel heeft in een irreële wereld rond te lopen, heeft voorlopig nog een heel andere angst. “Met die KGB'ers worden we het wel eens”, zegt hij. “Maar wat gaat er straks gebeuren als die documenten aan Rosskomarchiv worden overgedragen? Dan gaat de archivarissenmafia er bovenop zitten. Die realiseren zich maar al te goed wat voor een onschatbaar materiaal dit is. Probeer er dan als gewone historicus nog maar eens bij te komen!”

    • Laura Starink