Vleermuizen

Het wemelt van de vleermuizen in ons land. Uit nachtelijke speurpartijen met de batdetector blijkt dat er 's nachts zeker honderdmaal zoveel vleermuizen rondfladderen als men vroeger ooit in bunkers, forten en andere klassieke winterverblijven heeft geteld. Waar die diertjes zich overdag allemaal schuilhouden is de vraag. Waarschijnlijk maken ze niet alleen gebruik van de traditionele kerkzolders, maar van allerlei hoekjes en gaatjes, spleten in muren en vooral ook van oude bomen.

Acht van de negentien soorten vleermuizen die in ons land nog te vinden zijn brengen tenminste een gedeelte van hun leven door in het bos. Om er te paren, te kramen, te overwinteren of zomaar even uit te rusten. Soms zit er een enkele vleermuis onder een los stuk schors, soms ook worden in een hoogbejaarde holle beuk wel vierhonderd vleermuizen op een kluitje aangetroffen. ""Jammer genoeg komen zulke gegevens doorgaans pas aan het licht bij het omzagen van de boom in kwestie'', zegt ir Herman Limpens van de Stichting Vleermuis Onderzoek in Wageningen. ""Dan zie je 's winters ineens een complete kolonie slapende vleermuizen aan de motorzaag kleven.''

Boompje verwisselen is bij alle soorten gebruikelijk. Vleermuizen verhuizen voortdurend, soms als kolonie, soms ook als kleinere "metapopulaties' van een stuk of tien dieren. ""Die verhuizen echt als gekken'', zegt Limpens. ""Zij gebruiken vaak wel dertig tot veertig bomen, vogel- en vleermuiskastjes in een gebied.'' Misschien doen ze dat om steeds zo dicht mogelijk bij het jachtgebied te zitten. Misschien ook is het een strategie om te ontsnappen aan vlooien en andere parasieten.

Kieskeurig zijn de vleermuizen niet. Ze zitten in oude beuken, zomereiken en Amerikaanse eiken. Acacia's zijn al op vrij jonge leeftijd in trek vanwege de vele spleten in de stam en de loshangende stukken schors.

Een waar vleermuizenparadijs met veel stokoude bomen is landgoed De Tempel, onder de rook van Rotterdam. Het ligt ingeklemd tussen de Schie en de snelweg naar Delft-Den Haag en omvat ruim acht hectare. Fraaie lanen, sierlijke bruggetjes over vijvers vol kroos en een leuk oud theekoepeltje dat vanaf de snelweg goed te zien is.

Bij het roestige hek dat de bewoners van de witte villa, nu in gebruik als Psychotherapeutisch Centrum, van de buitenwereld scheidt staan op een maanloze zomernacht vier stoere mannen in warme jassen. Peter van Dalen, enthousiast vleermuis- en vogelkenner, leidt de weg. ""Pas op die stronk!'' ""Dit stuk is glibberig!'' Hij wuift geruststellend naar de witte schim van een verpleegster tussen de bomen. Hem kun je geblinddoekt het bos in sturen. Sinds hij drie jaar geleden voor het eerst met een batdetector op pad ging heeft hij hier vele nachten doorgebracht en zeven vleermuissoorten aangetoond. Daarmee is het predikaat "Vleermuisreservaat' voor landgoed De Tempel welverdiend.

Het begint al meteen bij de ingang. Hier staat een hoogbejaarde beuk, zijn stam is over een lengte van zeker drie meter gespleten. In de holte groeien grote zwammen en ook zit er een slapende pad met glinsterende oogjes in het schijnsel van de zaklantaarn. De vleermuisbewoners zijn niet thuis, die scheren door het nachtelijke bos. ""Ze zeggen dat die beuk nu echt om moet. Maar hij staat hier zo mooi en hij zit nog schitterend in het blad,'' zegt Van Dalen spijtig. ""Bovendien sleept hij twee andere beuken mee in zijn val.''

Op 20 kiloherz

De lucht is vol vleermuizen. Van alle kanten hoor je ze bliepen op de batdetector, elk op hun eigen frequentie. Op 20 kiloHerz zitten de mannetjes van de ruige dwergvleermuis de hele nacht te lonken. In onze oren klinkt hun sociale roep zo ongeveer als "tsjkrrk'.

""Het grappige is dat vleermuisvrouwtjes dat heel anders horen'' zegt Herman Limpens. ""Zij hebben veel snellere oren dan wij en kunnen per seconde veel meer geluidsinformatie verwerken.'' Collega Minne Feenstra geeft een fraaie demonstratie. Zijn batdetector heeft speciale mogelijkheden. Die pikt driekwart seconde van het vleermuisgeluid uit de lucht op en rekt dat met behulp van een time expander uit tot een duur van 7,5 seconde. Dat speelt hij steeds opnieuw af en het resultaat is verbluffend. In plaats van tsjkrrk hoor je nu een getwierelier alsof er een tropische vogel zit te zingen.

Dat vraagt veel energie. Een roepende vleermuis verbruikt achtmaal zoveel energie als eentje die stil zit. Hij produceert evenveel decibel als een brullende leeuw, maar gelukkig voor mensen niet op dezelfde frequentie, anders zou de nacht oorverdovend zijn.

De ruige dwergvleermuis is wel bijzonder fanatiek. Limpens: ""Van mei tot in de herfst zitten die mannetjes de hele nacht te roepen en ruzie te maken terwijl de vrouwtjes intussen in een ander gebied op jacht zijn en pas tegen de ochtend terugkeren. We hebben er wel eens twee vechtend uit de lucht zien vallen. Zo'n beest weegt een gram of zeven, maar in het paarseizoen komt hij nauwelijks aan eten toe en nu in september weegt hij misschien nog maar twee gram. Dan heeft hij nog een paar weken om op te vetten voordat de winterslaap begint. Daarmee neemt hij een enorm risico, maar er zijn dan ook mannetjes genoeg in de natuur.'' Een mannetje kan met zeven tot twaalf vrouwtjes paren, waarbij het meestal de eerste keer "raak' is.

De gewone dwergvleermuis, die een minder ruige vacht en ook een minder ruig karakter heeft, stond tot nog toe bekend als een echte huismus, altijd knus onder de dakpannen of in de spouwmuur. Pas sinds kort, nu er genoeg mensen met een batdetector rondlopen, blijkt dat de gewone dwergvleermuis vermoedelijk uit het bos wordt weggeconcurreerd. Alleen in Midden- en Zuid-Limburg, waar de agressieve rivaal ontbreekt, zitten overal in het bos gewone dwergvleermuizen te roepen.

Op landgoed De Tempel scheert nog een enkele Laatvlieger boven het water. ""Vroeg in de zomer zitten ze hier bij tientallen'', is de ervaring van Peter van Dalen. ""Maar als dat water dichtgroeit met algen haken de vleermuizen meteen af, daar hebben ze een hekel aan. Waarschijnlijk kunnen ze dan geen insekten meer vinden.''

Zijn jongste vondst was de vrij zeldzame Meervleermuis. In augustus vlogen er ineens tien tegelijk laag boven de Schie op de insektenjacht. Waarschijnlijk "nestelen' ze in Overschie of Schiedam in de bebouwing.

Ook de Watervleermuis komt hier voor. In grote delen van West-Nederland ontbreekt deze soort, niet bij gebrek aan water maar aan oude bomen. Alleen een enkel landgoed zoals De Tempel en Huis Warmond en ook het Staelduinse Bos worden dichtbevolkt door watervleermuiskolonies die in de wijde omtrek boven sloten en plassen jagen.

Een eind verderop staat een zeker honderd jaar oude kastanje aan het water. ""Dat is de Grootoren-boom'', zegt Van Dalen. ""De jonge Grootoren zijn inmiddels al volwassen en vliegen met hun ouders mee, in de loop van de nacht keren ze terug. 's Avonds zit ik hier wel eens een tijd op een krukje om ze te tellen. Het duurt wel drie kwartier voordat ze allemaal buiten zijn. Je ziet dan eerst de moeder uit die spleet komen en vlak daar achteraan het jong.''

In het voorjaar broedt in deze kastanje een spreeuw. De Grootoren zijn dan nog verspreid over allerlei bomen en nestkasten in de omgeving, waar ze hun jongen krijgen. Elke avond nemen ze even poolshoogte bij de kastanje. Zodra de spreeuw vertrokken is nemen de Grootoren hun boom weer in bezit. De jongen zijn dan al vliegvlug of worden meegedragen. Soms verschijnt ook de Ruige Dwergvleermuis hier om rotzooi te trappen, maar die heeft nog geen voet aan de grond gekregen. 's Ochtends vroeg kun je hier tientallen Grootoren om de oude kastanje zien zwermen en proeflandingen maken, wel een half uur lang, totdat ze hun slaapplaatsen opzoeken.

""De Grootoor is mijn favoriete vleermuis omdat hij zo buitengewoon mysterieus is'', bekent Van Dalen. ""Hij kan door het dichtste struikgewas vliegen en jagen zonder geluid te maken, ineens zie je hem dan vlakbij je als een bleke schim.'' Soms maken ze wel geluid. 's Morgens bij het invliegen maken ze een soort mitrailleurgeluid. Soms ook een heel zachte prrrt (op 42 kiloHerz) en als het heel stil is hoor je met het blote oor een tik als van een polshorloge als jachtgeluid.

Stil is het hier zelden. Op een paar meter afstand raast op dit nachtelijke uur nog volop verkeer over de snelweg, een eindje verder op staan de schijnwerpers van vliegveld Zestienhoven opgesteld. Hier recht tegenover, in de polder Schieveen, is een groot nieuw vliegveld gepland met daarachter nog een nieuwe Rijksweg. Grote jumbojets zullen hier straks de Westlandse komkommers en tomaten kakelvers naar hun verre bestemmingen vervoeren. ""Als die plannen doorgaan, en ik schat die kans 50 procent, dan moeten alle hoge bomen hier in de omtrek plat'', vertelt Van Dalen, ""niet voor het vliegveld zelf maar voor de aanvliegroute. Als je ze nu zo laag ziet aanvliegen hou je al je hart vast, dan denk je die gaat tegen een boom aan.''

De kap bedreigt ook de naburige begraafplaats Hofwijck, die nu voor vleermuizen een aantrekkelijk jachtgebied vormt, met diepe singels. In oktober verschijnt een milieueffect-rapportage en komend voorjaar moeten de knopen worden doorgehakt. ""Het is hier nu al een gekkenhuis'' zegt Van Dalen. ""De grens is hier al lang en breed bereikt. Die vliegtuigen, dat lawaai de hele nacht, de stank, het wordt hier onleefbaar, niet alleen voor dieren maar ook voor mensen. Daar gaat trouwens een gewone dwergvleermuis! Ze wonen daar bij die boerderij en gebruiken deze wal als verbindingsroute om 's nachts hun weg te kunnen vinden.'' In een oogwenk is het diertje in de duisternis verdwenen.

Oude Bomen

Uit een inventarisatie van de Vleermuiswerkrgoep Nederland -Stichting Vleermuis Onderzoek (VLEN-SWO) blijkt dat verreweg de meeste oude bomen te vinden zijn in achttiende eeuwse landgoedlanen. Die zijn nu alom aan vervanging toe. Daarna valt er vermoedelijk een "gat' totdat de volgende generatie oude bomen geschikt is om door vleermuizen bewoond te worden, want vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw zijn veel minder lanen aangeplant.

Traditioneel wordt een holle boom beschouwd als een zwakke broeder, die moet eruit. Veel rot in bomen wordt echter door de boom zelf perfect afgegrendeld en kan dan geen kwaad meer. Het gat van een afgewaaide tak wordt meestal afgegrendeld doordat de boom op die plek een chemische barriêrezone vormt die schimmels tegenhoudt. Meer kans op rot treedt op als de stam zelf wordt beschadigd, bijvoorbeeld door een hakkende specht. De boom vormt dan direct een cellaag waaruit op den duur een kurklaag ontstaat. Nieuw hout wordt dan niet door het rotte gedeelte aangetast. Met een endoscoop kan men de holle stam van binnenuit inspecteren om te zien hoe het ermee staat. Lastig wordt het pas, als er houtparasitaire schimmels verschijnen, herkenbaar aan de paddestoelengroei.

Uitgangspunt van een vleermuisvriendelijk beheer is, dat oude en dode bomen zoveel mogelijk gespaard moeten blijven, ook als ze nu niet door vleermuizen bewoond lijken te zijn. Vleermuizen verhuizen immers graag en veel.

Als afwaaiende takken gevaar opleveren, dan verdient een grondige snoeibeurt de voorkeur boven kappen. Is kap onvermijdelijk, dan liefst in etappes, zodat de vleermuizen nog een uitwijkmogelijkheid houden.

Meestal kapt men in de winter, omdat dan meer mankracht beschikbaar is en omdat een boom zonder blad gemakkelijker is te vellen. Voor de slapende vleermuizen echter is dat een doodvonnis. Het is beter om de boom in kwestie in maart-april of in oktober te kappen zodat de diertjes nog kunnen verhuizen.

De Vleermuiswerkgroep is graag bereid om landgoedeigenaren en anderen te adviseren en werkt daartoe samen met boomziektenkundige ir. Jitze Kopinga van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Wageningen. Het adres is VLEN-SWO. Harnjes- weg 17 6707 ET Wageningen.

Nachtgeluiden

Eind 1992 moet de Atlas van de Nederlandse Vleermuizen klaar zijn. In hokken van vijf bij vijf kilometer wordt het land afgekamd. In plaats van de traditionele tellingen in de winterverblijven worden de vleermuizen nu voor het eerst in het veld geteld aan de hand van hun geluiden. In iedere provincie kan men zich daarvoor als vrijwilliger laten opleiden. Een batdetector is nog steeds duur speelgoed, zo'n 500 gulden, maar er bestaat nu ook een goedkoop zelfbouwpakket. In ons land zijn nu zo'n 450 batdetectors in omloop, waarvan bijna de helft in bezit van de Stichting Vleermuis Onderzoek.

Sommige vleermuissoorten hebben een zeer karakteristiek geluid, andere zijn moeilijker te herkennen en vertonen overlap.

Het geluid is een jachtgeluid. Als de vleermuis op een ander beest gaat jagen wordt het geluid aangepast. Als bijvoorbeeld de Meervleermuis, de Watervleermuis en de Franjestaart alledrie boven het water jagen (in dezelfde "geluidsomgeving' en op dezelfde soort prooien) dan gaan die geluiden akelig veel op elkaar lijken. Regelmatig moeten hele pakketten waarnemingen van vrijwilligers toch maar weer worden afgekeurd omdat men ze niet helemaal vertrouwt.

Vaak hoor je in het veld allerlei geluiden die je maar moet laten langsvliegen omdat je niet met zekerheid kunt zeggen welke soort het is. Dan moet je maar hopen dat er op een gegeven moment eentje precies zo vliegt dat je hem kunt herkennen.

Om beter te begrijpen wat je nu eigenlijk op de batdetector te horen krijgt, verzamelt de Stichting Vleermuis Onderzoek systematisch uit allerlei habitats geluiden van de vleermuizen. Op den duur hoopt men elk habitat, om zo te zeggen, akoestisch te beschrijven.

Hoogfrequente geluiden hebben een hoog oplossend vermogen, die frequenties leveren dus meer detailinformatie, maar ze dempen ook eerder in de open ruimte. Lager frequente geluiden leveren minder detailinformatie, maar ze dragen verder.

Een vleermuis die hoog in de open ruimte jaagt gebruikt relatief lage, constante frequenties van lange duur. Dat levert dus niet zoveel detailinformatie op maar dat is voor een snelvliegende vleermuis die een insekt achterna zit niet zo erg; zodra hij de echo hoort slokt hij de prooi op.

Bij andere soorten, die in een omgeving vol takjes en bladeren jagen, is de trend kortere geluiden uit te zenden van minder constante, hogere frequenties.

Om zich in het landschap te oriënteren gooit de vleermuis die uit de beslotenheid van een laan ineens boven het water komt er vaak ineens heel andere, vèrdragende geluiden tussendoor, pulsen van constante frequentie, die veel langer duren, alsof hij groot licht opzet om even grofmazig zijn positie te verkennen.

Hoe jaag je nou op een mug en hoe op een libel? Die libel zit 's nachts stil op het bladerdek, terwijl de gemiddelde mug 's nachts vliegt. Zo'n vliegende mug geeft de echo van een "hard' voorwerp in de lucht. Maar als je hard naar de bladeren "roept' krijg je een oplawaai van echo's van alle kanten terug, mede afhankelijk van de stand van de bladeren. Je moet daar dus korter bij komen en de bandbreedte van het geluid heel erg groot maken zodat het zo min mogelijk wordt verstrooid. Bij een vliegende prooi kunnen bovendien Dopplereffecten worden gebruikt om informatie binnen te halen, terwijl bij een stilzittende prooi de interferenties van geluidsgolven worden gebruikt om iets te vertellen over de tijd dat het geluid onderweg is. Dat leidt tot de globale conclusie "er zit iets op dit blad" en dat pakt de vleermuis dan, ongeacht of het nu een libel, een rups of een spin is.

Het voortbrengen van deze sonar stelt veel hogere eisen aan de stem en aan het gehoor van de vleermuis dan het eenvoudige harde geluid waarmee hij in de open ruimte op een vliegende prooi jaagt. Anderzijds kan zo'n vliegende prooi natuurlijk altijd trucs uithalen, zich ineens uit de lucht laten vallen, of akoestische camouflage toepassen. Daarom zijn nachtmotten ook zo donzig. Er bestaan zelfs bepaalde motten die over speciale orgaantjes beschikken waarmee ze de echo, die een jagende vleermuis van ze terugkrijgt, perfect kunnen imiteren maar dan net iets eerder of iets later, zodat de vleermuis de kluts kwijtraakt en het opgeeft. Je kunt dat op de batdetector horen: eerst de vleermuis, daarna de stoorzender van de mot.

Van elkaars geluid schijnen de dieren geen last te hebben. Op de een of andere manier kunnen ze heel erg goed net dat kleine stukje echo van zich zelf uit een heel brede geluidsband herkennen. Vaak ziet men ze samen onder een lamp jagen. Ze hebben allemaal hun eigen stem. Voor een complex geluid is dat moeilijk aan te tonen, maar de hoefijzerneus (inmiddels helaas uit ons land verdwenen) is een goed voorbeeld: die geeft een constant geluid, steeds een bepaalde frequentie. De ene zit bijvoorbeeld op 82, 576 Herz en de ander dan bijvoorbeeld altijd op 82, 562! Zulke verschillen bestaan ongetwijfeld bij de meer complexe geluiden ook maar daar heeft nog niemand naar gekeken.

De bandopnames die 's nachts op een cassetterecorder zijn verzameld kunnen in het akoestisch geluidslaboratorium grafisch worden geanalyseerd. Vroeger had men daar omvangrijke apparatuur voor nodig, nu lukt het op een draagbare PC. Je kunt er allerlei geluidsplaatjes van maken, zoals sonogrammen, spectrogrammen, oscillogrammen en histogrammen. Die kan men dan nakijken op repeterende patronen, pulsjes etcetera om de gangbare theorieën over vleermuisgeluid te toetsen aan de praktijk.

    • Marion de Boo