Rijn-convenant

In de berichtgeving in NRC Handelsblad over het nog immer "onreine' Rijnwater worden regelmatig de Franse kalimijnen in een slecht daglicht gesteld.

Zo ook in het artikel over de totstandkoming van een convenant tussen de Gemeente Rotterdam en de in de VCI verenigde Duitse chemische industrieën (22 augustus). Hieruit blijkt, dat dit convenant ten hoogste kon worden gewaardeerd als een "eerste stap op de goede weg'; immers de gemaakte afspraken garanderen allerminst dat de Rijn nà 2005 zo schoon is geworden, dat het havenslib daarna niet meer in een nieuwe "slufter' behoeft te worden opgeborgen.

Met dit in vele opzichten (nog) behoeftige convenant kapt de VCI (toekomstige?) schadeclaims van Rotterdam af. Aansluitend worden de kalimijnen dan als "onwillig' gekwalificeerd, omdat deze blijkbaar niet bereid waren een soortgelijk convenant af te sluiten. Als tegenprestatie voor zo'n convenant zou Rotterdam dan afzien van een proces tegen de mijnen over de vraag in hoeverre het geloosde (al of niet natuurlijk) metaalhoudende slib Rotterdam heeft genoop de "slufter' aan te leggen: daarbij maar in het midden latend òf de lozing van dit slib op de Noordzee in strijd is of zou kunnen zijn met enige internationale verplichting.

De vraag rijst of het werkelijk verantwoord is met financiële steun van de overheid een proces over deze in elk opzicht troebele kwestie (met als inzet ƒ 100 miljoen) te voeren, waarvan de uitkomst - zeker financieel gezien - zo ongewis is. Vreemd is het verder dat Rotterdam enerzijds een procedure aanspant tegen een vermeend-minimale vervuiler langs de Haut Rhin - die in ieder geval na 2005 niet meer "meedoet' wegens uitputting van de mijnen, maar anderzijds de hoofdschuldigen die zeker na 2005 nog volop actief zijn door een niet afdoend convenant voor schadeclaims (althans voorlopig voor vele jaren ) vrijwaart.

    • Mr. K.W. Cuperus
    • Capelle A-D Ijssel