PvdA dreigt ook straks niemand tevreden te kunnen stellen

De achtentwintigste september 1991 was voor de PvdA een historische dag. Haar congresafgevaardigden aanvaardden een uiterst pijnlijke ingreep in de sociale uitkeringen en haar leider manifesteerde zich voor het eerst als een daadkrachtig bewindsman.

Nu lijkt de weg open voor een grondige vernieuwing van het denken binnen de partij. Die heeft de verlammende gedachte dat de verzorgingsstaat nooit mag worden aangetast, van zich afgeworpen. Nu zij dat verleden niet meer met zich meesleept, kan zij zich bezig gaan houden met haar toekomst. Dit laatste is de boodschap die wordt uitgedragen door Kok, Wöltgens en Van Kemenade.

Maar zien zij dit wel juist? Ik betwijfel dat ernstig. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat veeleer het omgekeerde het geval is en dat de afslanking van de sociale verzekering ruimte schept om de aanspraken weer aan te scherpen als de tijd daarvoor rijp is.

De PvdA heeft bijna de helft van haar aanhang verloren door wat deze kiezers beschouwen als afbraak van alles waar sociaal-democraten voor staan. Dat is niet alleen voor deze partij, maar voor de hele politieke constellatie een verontrustende ontwikkeling. Van wat destijds de op één na grootste partij was, aanvaardt een zeer groot en beslissend aantal kiezers niet dat er moet worden ingeleverd als de verzorgingsstaat overtrokken blijkt te zijn. Zij zien hun partij als de partij voor de gewone man die er voor moet zorgen dat hij het steeds beter krijgt. Daarin mag nooit een terugslag komen. Gebeurt dat toch, dan haakt bijna de helft van de aanhang af.

Kan er met zulk een partij, waarvan maar iets meer dan de helft van de kiezers met beide benen op de grond staat, wel worden geregeerd? De merkwaardige paradox is dat dit juist wel kan als het slecht gaat, ja dat het dan zelfs alleen kan met de PvdA. Afslanking van de sociale verzekering in de mate waarin dit thans is voorgenomen, is namelijk zonder medewerking van de leiders van deze partij in kabinet en parlement vrijwel onmogelijk. De PvdA is onontbeerlijk om dit de mensen te doen aanvaarden.

De geschiedenis herhaalt zich wat dit betreft. In de tijd van de rooms-rode coalities - tot 1958, achtte Romme de PvdA in het kabinet nodig om de gewone man in toom te houden en door soberheid en hard werken het land er weer bovenop te krijgen. Toen dat was gelukt had men, zoals Hofstra het destijds formuleerde, de PvdA niet meer nodig en werd zij afgedankt als regeringspartij. Zou de geschiedenis zich ook wat dit betreft kunnen herhalen?

Te verwachten valt dat de ingrijpende maatregelen die nu zijn beraamd, na 1992 hun vruchten zullen gaan afwerpen. Dan komt ook de volgende verkiezing al in zicht. Zal voor de PvdA de verleiding dan niet onweerstaanbaar zijn om weer dure beloften aan de kiezers te doen en te trachten terug te halen wat in 1991 en 1992 door de nood gedwongen, is prijs gegeven? Op deze wijze komt immers de beloning in zicht voor de grote offers die zijn gebracht. Dan kunnen de kiezers weer worden teruggewonnen die tussentijds hebben afgehaakt. Van vernieuwing van de partij in de geest van Kok en de zijnen komt dan niets terecht. Veeleer zou zij uitdrukkelijker dan ooit een uitdeelpartij worden.

Maar tegelijk wordt zij als regeringspartij daardoor veel minder aantrekkelijk. Niet-sociaal-democraten zullen dan vrezen dat met de PvdA in het kabinet binnen de kortst mogelijke tijd de crisis van de verzorgingsstaat weer terugkeert. Evenals in 1958 is de PvdA dan niet meer nodig. Zij mag van de anderen de kastanjes uit het vuur halen en als dat gebeurd is, mag zij niet meer meedoen. Dit is natuurlijk zoals wij nu kunnen zien niet meer dan een mogelijk scenario, maar onwaarschijnlijk is het lang niet. Het moet ook niet in de eerste plaats worden gezien als cynisch manoeuvreren van de niet-sociaal-democratische politieke leiders. Het zijn, om het in marxistische termen te zeggen, de objectieve verhoudingen zelf die in deze richting werken.

Als het voorgaande in grote trekken juist is, zijn er dus twee mogelijke ontwikkelingen. Wanneer de vernieuwing in de PvdA doorzet wordt zij te klein om beslissende politieke invloed te hebben. Als zij weer verandert in een uitdeelpartij wordt zij te groot om beslissende politieke invloed te hebben.

    • F. Hartog