Herfstverdriet

Gisteren sprak ik iemand die net zo onder de herfst lijdt als ik. Een bondgenoot in de terreur van de herfstmelancholie. Want wij gaan niet gebukt onder oncontroleerbare depressies, wij weten precies waar ons verdriet vandaan komt: van de herfst.

Bij het verkleuren van de bladeren aan de bomen wordt mijn gezicht grauwer. Drie maanden herfst en ik ben drie maanden grijzer. Onbenoembaar hartzeer doorspekt met aanstellerij.

Sehnsucht is een vies woord. Weltschmerz ook niet mis. De Portugezen spreken van Saudade als ze het over iets onuitspreekbaars hebben waarbij veel melancholie een rol speelt.

“De boomen dorren in het laat seizoen, en wachten roerloos den nabijen winter.” Zo is het maar net. Eind augustus durf ik al geen bos meer in. De herfst komt aangekropen. Heel vals en geleidelijk. Je hebt nog een maand te gaan eer hij je definitief te pakken neemt, maar je bent op je hoede. Genadeloos zal hij dan immers in al zijn glorie toeslaan.

Het begon al in mijn kindertijd. Van school werd je met geweld de bossen ingejaagd. Er moest en er zou goudgele ellende worden verzameld. Alles wat maar kleur en stank had werd meegezeuld. De geur van verrotting in de vochtige bossen maakte me soms zo misselijk dat ik moest overgeven. Wat erg. Wat erg.

Paddestoelen. Eikels. Beukenootjes. (Die je op de kachel kon leggen om ze met wat suiker op te eten. Heel smerig.) Varens. Esdoornbladeren. (In duizend tinten.) Weerloos was ik ten opzichte van het zonlicht dat door de nevels scheen. Iedereen riep enthousiast: “O, kijk eens, rode paddestoelen”, en ik liep te janken. Hoe kan de lucht van stinkzwammen je zo terneerslaan? Niemand gelooft me natuurlijk dat ik nu, een bedaagde man van drieënvijftig, in deze tijd van het jaar mijn ogen sluit als ik in een tram over de Vondelbrug raas, om de verkleurde pracht van het Vondelpark niet te hoeven zien.

Thuisgekomen komt iemand met een bos herfstasters bij me aanzetten met de opmerking: “Toen ik ze zag staan dacht ik meteen aan jou. Wat een kleuren, wat een verscheidenheid in tinten. De hele kamer geurt er nu al naar. Zet ze maar gauw in een vaas. Die zijn sterk. Die gaan wel weken mee. Als je wilt, kun je ze ook nog drogen.”

Als jongen was ik eens verliefd op een meisje. Ze was gereformeerd en droeg een prachtige, blonde paardestaart. Met kracht en overgave speelde ze fuga's van Bach op het orgel in de kerk.

Als ze alleen in de kerk haar psalmen moest repeteren kwam ik haar vaak even opfleuren door op het orgelbankje met haar te vrijen. Op een dag kon ze de kerk niet in en moesten we ons heil in een park zoeken. Een zonnige herfstnamiddag. Ik veegde de kastanjebladeren van een bank, om daar, in godsnaam dan maar, met haar te gaan zitten.

“Ik wil niet zitten”, zei mijn meisje. “Het is hier veel te mooi. Moet je die bomen zien. Die oktoberrozen. Die twee zwanen op de stille vijver. Die halfverdroogde bloemen. Moet je eens voelen hoe stil het hier is. Je kunt de bladeren horen vallen. Herfst. O, wat houd ik van de herfst. Ik kan er wel in doodgaan, zo mooi. Kijk die zwarte vogel. De geuren alleen al. De rode zon die door de bomen schijnt. Voel eens hoe het voelt als je héél voorzichtig met je schoenen door zo'n berg opgewaaide bladeren woelt.

“Wat kijk je nu toch sip. Wat sta je daar. Je bent helemaal bleek. Je hebt zelfs tranen in je ogen. Wat ben jij toch een gek.”

    • Jean-Paul Franssens