Geest Hugo de Groot waart nog rond in Den Haag

Raillerie is een stijlvorm die gauw verveelt. Een wijze Doktorvater gebruikt het wapen soms om een luie promovendus aan het werk te krijgen.

In de politiek wordt het wapen ook veelvuldig gebruikt. In die kringen moet het instrument met grote omzichtigheid worden gehanteerd, want voordat je het weet krijg je vijanden die je maar zelden kunt gebruiken. Journalisten kunnen er ook wat van. De commentaren die geschreven zijn naar aanleiding van het echec van het Nederlandse EG-voorzitterschap staan bol van hoon, spot en scherts. Soms zijn die kritische commentatoren gewoonweg hypocriet omdat de journalist verzwijgt dat hij bij eerdere gelegenheden het Nederlandse beleid vol verve heeft gesteund.

Wat is er gebeurd? In de afgelopen maanden zijn ambtenaren van diverse ministeries erin geslaagd om hun visie op Europa tot kabinetsbeleid te verheffen. Deze visie komt erop neer dat kleine landen hun belangen beter kunnen behartigen in een supranationaal Europa, hetgeen betekent dat er bij meerderheid van stemmen besluiten worden genomen. Hiermee keren deze ambtenaren zich tegen het huidige intergouvernementele Europa, dat wordt gedomineerd door de unanimiteitsregel met uitzondering van een beperkt aantal terreinen waarvoor meerderheidsstemmingen gelden. De toepassingen van de unanimiteitsregel impliceert dat één land een bepaald voorstel kan tegenhouden. Om een impasse te voorkomen zal er druk moeten worden gelobbyd om met behulp van een aantal packagedeals een veelvuldig gebruik van het vetorecht te bezweren.

De bovengenoemde groep Nederlandse ambtenaren vreest nu dat kleine landen in een dergelijk systeem het onderspit delven. In de eerste plaats kunnen grote landen namelijk simpelweg hun vetorecht gebruiken om de plannen van kleine landen te dwarsbomen. Zo gebruikte de Gaulle tweemaal zijn vetorecht om te voorkomen dat de Britten zouden toetreden tot de Gemeenschap. In de tweede plaats wijzen zij erop dat de grote landen elkaar in de wandelgangen steeds weer opzoeken en zodoende packagedeals aan de kleine landen opdringen. In een dergelijk intergouvernementeel Europa plaatsen de grote landen de kleinere telkens voor voldongen feiten. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland regelen de zaken, Nederland heeft het nakijken.

In dit intellectuele klimaat floreren juristen. Zij menen namelijk een middel te hebben gevonden om ongebreidelde machtsdrift van grote staten in te tomen. Juridische spelregels zouden ertoe leiden dat kleine landen binnen de Gemeenschap niet meer worden overstemd door de Grote Drie. Een supranationaal Europa waar alleen nog besluiten worden genomen op basis van meerderheidsstemmingen versterkt de positie van de kleine landen. De grote landen verliezen dan namelijk hun individuele vetorecht en worden zo gedwongen tot samenwerking met andere landen. Om de juistheid van deze stelling aan te tonen werd er, zoals wel vaker gebeurt als er iets moet worden doorgedrukt, een les uit de geschiedenis getrokken. “Waarom was Frankrijk zo machtig in de jaren zestig”, luidde de retorische vraag op Buitenlandse Zaken. Toen de Gaulle eenmaal de agrarische buit binnen had, kon hij zich in 1965 succesvol weren tegen pogingen om het individuele vetorecht van lidstaten te vervangen door gekwalificeerde meerderheidsstemmingen. De Fransen hielden hun vetorecht en konden daardoor een groot deel van de Franse industrie blijven beschermen zonder dat zij daarbij het gevaar liepen dat de Duitsers hun financiële steun aan de Franse boeren introkken.

De vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de stelling dat kleine landen gebaat zouden zijn met een supernationaal Europa zijn helaas weinig plausibel. In de eerste plaats wordt er impliciet van uit gegaan dat het überhaupt onder alle omstandigheden mogelijk zou zijn dat macht op deze wereld zich gewillig zou laten inperken door juridische regels. De geschiedenis geeft ons voorbeelden te over van grote landen die niet de verleiding hebben kunnen weerstaan hun invloed te vergroten ten koste van andere, meestal kleinere, landen. De verlichte denker en staatsman Frederik de Grote bijvoorbeeld, verwierp in zijn essays Machiavellistische beginselen op ethische gronden, maar dat verhinderde hem niet om een groot deel van zijn leven te wijden aan het corriger la figure de la Prusse. En als er regels worden gehoorzaamd, zijn dat meestal regels die zijn opgesteld door de machtigen der aarde en dus in hun voordeel uitvallen. In de tweede plaats is het op voorhand helemaal niet duidelijk of stemming op basis van meerderheid in plaats van op basis van unanimiteit nu wel zoveel beter is voor de positie van de kleine landen. In beide gevallen is het namelijk noodzakelijk om in de wandelgangen packagedeals te sluiten. In het geval van unanimiteitsstemming is dat nodig om te voorkomen dat één land de hele zaak torpedeert en in het geval van meerderheidsstemming is dat nodig om te voorkomen dat men wordt overstemd. Men zou zelfs met evenveel recht de tegenovergestelde stelling van die van onze regering kunnen verdedigen, namelijk dat kleine landen de macht van de grote landen gemakkelijker kunnen breken als zij vetorecht hebben dan in het geval van meerderheidsstemming.

Het derde bezwaar richt zich op de vermeende samenzwering tussen de grote landen tegen de kleine. Nederland doet net alsof het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland dezelfde belangen hebben en zodoende de kleine landen kunnen ringeloren. Niets is minder waar, er bestaan namelijk belangrijke verschillen tussen deze grote drie. Die verschillen impliceren dat het veel meer voor de hand zou liggen dat Nederland het intergouvernementele spel gaat meespelen. Afhankelijk van het beleidsissue zoekt ons land een coalitie op van landen die overeenkomstige belangen bezitten. Om de Uruguay-ronde te laten slagen, hebben wij de Engelsen nodig. Om de monetaire samenwerking op een degelijke leest te schoeien, hebben wij de Duitsers nodig. Om te voorkomen dat Europa op het gebied van de Europese politieke samenwerking in zijn eigen voet schiet, hebben wij nog steeds de Amerikanen en de Engelsen nodig.

Het vierde bezwaar tegen de bovengenoemde stelling is misschien nog wel het belangrijkste. Het Nederlandse voorstel van een supranationaal Europa is volstrekt onhaalbaar. Het Verenigd Koninkrijk heeft reeds tijdens de ondertekening van de Europese Akte duidelijk gemaakt dat het geen behoefte heeft aan zogenaamde "open einde'-regelingen. Meerderheidsstemming is prachtig, maar dan alleen op het gebied waar het de Engelsen goed uit komt dat er knopen kunnen worden doorgehakt, namelijk de implementatie van de gemeenschappelijke markt. Op monetair gebied zijn de lidstaten zo verdeeld dat er allemaal cosmetische ingrepen nodig waren in Apeldoorn om het Europa "van de twee snelheden" te maskeren. Op het gebied van een eventueel gemeenschappelijk buitenlands beleid hebben de Fransen en de Duitsers er geen twijfel over laten bestaan dat dit uitsluitend inhoud gegeven kan worden door de Europese Raad van de regeringsleiders, een intergouvernementeel orgaan, en dus niet zoals de Nederlanders willen door de Europese Commissie. De Luxemburgers hebben dan ook veel beter begrepen dan de Nederlanders dat een Verenigde Staten van Europa weinig meer dan een holle frase is. Met andere woorden: in het huidige intergouvernementele Europa is het Nederlandse voorstel simpelweg niet haalbaar. Een land als Nederland kan overigens niet zomaar straffeloos onhaalbare plannen voorstellen. Het is dan ook niet zonder ironie dat juist Nederland, dat zo bang is voor zijn positie in een intergouvernementeel Europa, met deze onhaalbare plannen zijn onderhandelingspositie in dat zelfde intergouvernementele Europa nog moeilijker heeft gemaakt dan reeds het geval is.

“Maar”, zo vraagt men zich af, “als dat beleid dan vatbaar is voor gerechtvaardigde kritiek, waarom is het dan officieel regeringsbeleid geworden?” Het is een beetje simpel en in ieder geval flauw om dit te verklaren door te verwijzen naar de ruzie tussen Lubbers en Van den Broek. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de grote hoeveelheid energie die de crisis in Joegoslavië en de WAO heeft opgeëist. Ik vrees dat de verklaring van het debâcle veel dieper moet worden gezocht. Het kromme vingertje van Calvijn en nog belangrijker, de geest van Hugo Grotius waren nog steeds rond in Den Haag.

Wat het eerste betreft moeten we voorzichtig zijn. De Denen zijn namelijk ook protestant (echter luthers) en voeren een buitengewoon realistisch buitenlands beleid. Wat de Denen echter missen, en daar is wellicht het meer blijmoedige karakter van Luther debet aan, is het gevoel dat hun land de wereld af en toe moet vertellen wat er gebeuren moet. Het calvinistische Nederland, zelfs onze katholieken zijn calvinistisch, heeft dat helaas wel.

Deze zendingsdrang heeft zich hier te lande op een fatale wijze verbonden met de idealen van een Verenigd Europa. Deze onzalige verbinding is een zeer ingewikkeld proces geweest waarin universiteiten wel een heel ongelukkige rol hebben gespeeld. Om een lang verhaal kort te maken: toen de dominee het van de koopman won, verbond de Nederlandse zendingsdrang zich met de gedachte dat het werk van Beyen, Monnet en Spaak diende te worden afgemaakt. Daarom worden federalistische denkers ook zo kwaad als revisionistische historici in hun geschriften beweren dat de door hen bewonderde voormannen van de Europese gedachte helemaal niet uit waren op een Verenigde Staten van Europa. Monnet bijvoorbeeld gebruikte de EGKS om zijn eigen Monnet-plan voor de Franse staalindustrie te redden. Rechtlijnige Nederlandse calvinistische federalisten hebben echter nooit begrepen dat er achter al die mooie retorica platvloerse nationale belangenbehartiging schuil ging. Jacques Delors, straks misschien president van Frankrijk, is de volgende Fransman die deze figuur gaat schaatsen.

Soms bekruipt mij het gevoel dat katholieken veel beter dan protestanten in staat zijn om de paradoxen van Europa te doorgronden. Hoe kan een calvinistische katholiek als Van den Broek nu begrijpen dat Frankrijk onder invloed van de Duitse Vereniging een voorstel doet voor een politieke unie waarvan het hoopt dat het wordt afgeschoten door andere landen zodra het de Franse soevereiniteit dreigt aan te tasten? Hoe kan hij begrijpen dat Genscher het ideaal van het Verenigd Europa gebruikt om tijd te winnen om de Duitse Vereniging in goede banen te leiden en de ontwikkelingen in Midden-Europa af te wachten? Genscher danst op verschillende bruiloften tegelijkertijd en kan daarom slechts lippendienst bewijzen aan het Europese Parlement. Hoe kan Van den Broek inzien dat de Italiaanse en Belgische politici het woord Europa alleen maar in de mond nemen omdat de binnenlandse politiek volkomen is vastgelopen?

Tot slot Grotius. Als er een apologie voor Van den Broek moet worden geschreven, dan kunnen we Hugo niet missen. Hans van den Broek is als zoveel Nederlandse beleidsmakers jarenlang geïndoctrineerd door juristen dat regels belangrijker zijn dan macht. Het gevolg is wel dat de pragmaticus Douglas Hurd wel eens met zijn ogen knippert als hij met Nederlanders aan tafel zit. De paradoxen van Europa laten zich niet vangen in de idealistische schema's van volkenrechtsgeleerden.

Onze parlementariërs brengen het er overigens niet veel beter van af. Zij hebben het beleid dat nu zo is vastgelopen altijd van harte gesteund. Recent historisch onderzoek heeft aangetoond dat de invloed van ons parlement op het Europabeleid van de naoorlogse kabinetten in de jaren vijftig nagenoeg nihil is geweest. Indien het Nederlandse parlement in dit debâcle geen aanleiding ziet de steven te wenden, rest ons weinig anders dan te hopen dat hetzelfde geldt voor de jaren negentig.

Voor Nederland gloort er nog maar één lichtje aan de horizon. Lubbers gaat zich nu met Europa bezighouden.

Minister van den Broek (Foto Roel Rozenburg)

    • Arend Jan Boekestijn