Feyenoorders hebben veel moeite met muur van Partizan; Monsterzeges steeds zeldzamer

ROTTERDAM, 3 OKT. De tijd van de monsteruitslagen in het Europese voetbal is voorbij. Zelfs de kleinste ploegen kunnen tegenwoordig een beetje bijdehand verdedigen.

Fred Blankemeijer, de tijdelijke manager van Feyenoord, noemde de spelers van Partizan, de Europa-Cuptegenstander van zijn club, gisteravond voor de aftrap heel gemeend zielepoten. Maar toch lieten deze straatarme Albanezen Feyenoord de hele wedstrijd volop zweten. Pas vier minuten voor tijd bepaalde Peter Bosz de eindstand op een schamele 1-0 voor Feyenoord.

Artur Lekbello, de doelman van Partizan, was de uitblinker van de avond. Hij werd na de eerste wedstrijd in Tirana hier en daar denigrerend afgeschilderd als een vliegenvanger. Gisteravond plukte hij naar hartelust voorzetten uit de lucht en dook schoten uit de hoeken. Als een held nam hij afscheid van de Kuip. Hij omhelsde na afloop alles en iedereen en rookte breed lachend alle hem aangeboden sigaren en sigaretten op. Lekbello, vijfvoudig A-international, lijkt op een 50-jarige, hij is 33 jaar, maar noemde gisteren voortdurend 31 als zijn leeftijd. Dat doet het beter bij geïnteresseerde clubs, want natuurlijk wil ook de kale keeper in het buitenland spelen. “Ik kan morgen beginnen”, zei hij.

Lekbello bedankte vlak voor het vertrek naar het hotel ook nog even keurig zijn verdedigers. Dat waren er gisteravond tien. Partizan stond voortdurend met het hele elftal in het eigen strafschopgebied. “En dan is het heel moeilijk zo'n muur omver te krijgen”, constateerde Feyenoords technisch directeur Wim Jansen. Dat was vroeger vaak anders in het Europa-Cupvoetbal, kon hij uit eigen ervaring beamen. Jansen speelde zelf in het elftal van Feyenoord dat 1969 met 12-2 van KR Reykjavik won en later was hij ook nog van de partij toen de Rotterdammers, in 1972, het arme US Rumelange uit Luxemburg in de uitwedstrijd met 12-0 versloegen. Na de twee duels kwam Feyenoord op een score van 21-0 uit.

In de jaren zestig en zeventig was het in het Europees voetbal geen uitzondering dat wedstrijden met een verschil van tien of meer doelpunten eindigden. Dat gebeurde jaarlijks meerdere malen. In het genoemde seizoen 1969-'70, bijvoorbeeld, won niet alleen Feyenoord, de latere Europa-Cupwinnaar, met 12-2, maar Leeds United en Liverpool beide een keer met 10-0 en er was ook nog een duel dat in 10-1 eindigde. “Je kreeg”, vertelde Jansen, “vroeger veel meer ruimte dan nu. Er wordt vandaag de dag compact verdedigd. Iedereen weet ook hoe dat moet.” En, waarschuwde hij, het is bovendien altijd oppassen voor de tegenaanval. “Elke ploeg, zelfs als je tegen amateurs speelt, krijgt in een wedstrijd één of twee kansen. En een tegendoelpunt kan dodelijk zijn. Daar ben je als trainer altijd bang voor, één zo'n counter achter je oren.” Partizan kreeg gisteravond ook één goede mogelijkheid. Dosti kon na een fout van John de Wolf alleen op het Feyenoord-doel afrennen, maar keeper Ed de Goey voorkwam met attent uitlopen een debâcle.

Natuurlijk ging het vroeger ook weleens mis. “O ja”, aldus Jansen met een brede lach, “daarvan kan ik me nog één geval heel goed herinneren.” Hij doelde op de thuiswedstrijd van Feyenoord, als bekerhouder, in de eerste ronde tegen het Roemeense UT Arad in 1970. De Rotterdammers waren in de Kuip negentig minuten oppermachtig, maar de stand bleef 0-0. “En dat betekende dat we waren uitgeschakeld, want we hadden daar 1-1 gespeeld.”

Uitslagen met dubbele cijfers zijn tegenwoordig hoogst zeldzaam. Monaco kwam er dinsdag met 8-0 tegen Swansea City wel dichtbij. Maar de laatste keer dat een club met tien of meer doelpunten verschil won dateert alweer van 3 oktober 1984, bijna zeven jaar geleden. Ajax versloeg toen het Luxemburgse Red Star Differdange met 14-0. Marco van Basten scoorde vijf keer. Jansen zegt dat er tegenwoordig ook nog best op duidelijke wijze een overwinning kan worden behaald. “Maar dan moet je gewoon snel scoren. Meestal is het verzet dan gebroken.” Hij wees wat dat betreft op Partizan Tirana. “Na ons doelpunt toonden de Albanezen geen interesse om op de gelijkmaker te jagen. Ze schoten meteen vanaf de aftrap de bal naar De Goey en trokken zich meteen weer terug voor eigen doel.”

Feyenoord was het aan zijn stand verplicht geweest Partizan ten minste met 4-0 of 5-0, nog wel gangbare uitslagen in het hedendaagse voetbal, te verslaan. De Rotterdammers die 21 hoekschoppen kregen speelden echter niet slim. Ze bleven maar hoge voorzetten geven. Van afstand werd er echter veel te weinig geschoten. Dat komt ook omdat Feyenoord geen echte schutters in de ploeg heeft. Peter Bosz had uiteindelijk toch van afstand, een meter of vijfentwintig, succes. Het schot leek houdbaar, maar Lekbello gaf zich toch gewonnen. Een opgeluchte Jansen wilde zijn ploeg na afloop geen verwijten maken. “We hebben alles geprobeerd. Het ontbrak ons ook aan geluk”, vond hij. “Het belangrijkste is dat we in de tweede ronde zitten. Later weet niemand meer of je met 1-0 of 5-0 hebt gewonnen.”

    • Hans Klippus