Exportverbod voor onderzeeboten frustreert werf; Discussie over relatie met Taiwan laait opnieuw op

ROTTERDAM, 3 OKT. Betrokkenheid bij de bouw van onderzeeërs voor Taiwan lijkt in Nederland politiek weer bespreekbaar. Dat blijkt uit een rondgang langs leden van de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken.

Het standpunt over de positie en behandeling van Taiwan is aan evaluatie toe. “We moeten een indringende discussie voeren, niet alleen economisch maar ook politiek,” aldus het PvdA-Kamerlid H. Vos, voorzitter van de Kamercommissie voor economische zaken.

Gisteren werd bekend dat een delegatie uit Taiwan, dat onderzeeboten wil hebben, onlangs een bezoek bracht aan de werf RDM. Betrokkenen houden angstvallig hun mond dicht over details van het bezoek - er geldt immers een verbod op levering van "militair-strategisch' materieel aan Taiwan. Dat verbod vloeide uit een heftig diplomatiek conflict met de Volksrepubliek China wegens de goedkeuring, in 1980, van de bouw van twee onderzeeboten voor Taiwan. Het verbod trof de Nederlandse defensie-industrie in het algemeen en de werf Wilton-Fijenoord in het bijzonder. De Schiedamse bouwer van de twee Taiwanese onderzeeërs kon zijn nieuwbouwafdeling enkele jaren geleden opdoeken bij gebrek aan vervolgorders.

Inmiddels zijn alleen Koninklijke Maatschappij De Schelde (KMS) in Vlissingen en de Rotterdamse Droogdok maatschappij (RDM) nog actief in marine-nieuwbouw; de KMS bouwt "oppervlakteschepen', momenteel M-fregatten, terwijl de RDM zich nu toelegt op de bouw van onderzeeërs, de Walrus-serie. Grote projecten voor de beide werven, waarmee ze vele honderden miljoenen guldens aan omzet boeken. De toekomst zien ze echter met toenemende ongerustheid tegemoet. De mondiale ontspanning heeft overal, ook in Nederland, geleid tot druk op defensiebudgetten en vermindering van opdrachten.

In die context zijn de herhaalde verzoeken om steun van de regering - door bij voorbeeld opdrachten eerder te plaatsen, of meer duidelijkheid te verschaffen over te verwachten orders - begrijpelijk. Over militaire opdrachten uit Taiwan, waarvoor Nederlandse werven in aanmerking komen, was de regering de laatste jaren wel volstrekt duidelijk: onmogelijk. Staatssecretaris Van Rooy herhaalde dat twee maanden geleden: “Voor levering van onderzeeboten, bouwtekeningen dan wel ontwerpen met als eindbestemming Taiwan zal geen exportvergunning worden afgegeven.”

Dit leidt tot frustraties bij de betrokken werven. Zij hebben jarenlang geïnvesteerd in de ontwikkeling van marinetechnologie. Kennis, ervaring en capaciteit gaan bij uitblijven van grote nieuwe opdrachten verloren. Dat Navo-partners als de Verenigde Staten en Frankrijk inmiddels wel grote zaken met de Taiwanezen doen, maakt de situatie voor de Nederlandse werven nog frustrerender. Zij zitten straks zonder werk. De RDM voltooit het Walrus-project over twee tot drie jaar, omdat Nederland zich star blijft opstellen.

Denkbaar is dat de RDM tegen die tijd mankracht en expertise overhevelt naar Taiwan, om de opgedane ervaring te behouden en te gelde te maken. De tekeningen van de onderzeeërs die Wilton-Fijenoord eertijds voor Taiwan bouwde, schijnen eigendom van dat land te zijn. Een dergelijke constructie lijkt niet strijdig met het exportverbod, dat immers “onderzeeboten, bouwtekeningen dan wel ontwerpen daarvoor” betreft. En hebben de Verenigde Staten niet ook technologie en supervisie naar Taiwan verplaatst zodat het land zijn eigen gevechtsvliegtuigen kon bouwen?

Pag.25: Taiwan; Politieke opvattingen verschuiven

Inmiddels lijken de Nederlandse politieke opvattingen over wapenexport naar Taiwan te verschuiven. Kamerlid D. Tommel (D66) vraagt zich af of de voorkeursbehandeling van communistisch China nog wel relevant is. Hij bepleit een soepeler opstelling, zonder dat daarbij direct de export van onderzeeërs te willen vrijgeven: “Dat is me een stap te ver. Dat zouden we eerst eens in de fractie moeten bespreken.”

Hij is zich er niettemin terdege van bewust dat de verhoudingen tussen China en Taiwan - door de Chinezen als een afvallige provincie beschouwd die in de moederschoot moet terugkeren - de laatste jaren aanzienlijk zijn verbeterd. Toen Nederland op 1 februari 1984 onder hevige druk van China het exportverbod op militair materieel voor Taiwan uitvaardigde, stoelde dat besluit op volkenrechtelijke gronden. Taiwan is niet erkend door de Verenigde Naties en China wel.

De animositeit tussen die twee landen is daarna afgenomen. Nu bestaat er - zij het formeel via Hongkong - intensief handelsverkeer tussen de Volksrepubliek en Taiwan. Het eiland heeft zich de laatste jaren ontpopt als handelsnatie van formaat. Het belang en prestige van China zijn daarentegen, door de neergang van het communisme en het dictatoriale regime, de laatste jaren sterk afgenomen. Niet voor niets gaan steeds meer stemmen op om Taiwan te betrekken bij de GATT-onderhandelingen. Tommel: “Er is een ander klimaat, veel zakelijker. Taiwan investeert de laatste jaren “tientallen miljarden”, waarvan het Nederlands bedrijfsleven uit onwetendheid of angsthazerij nauwelijks profiteert.” De veranderde positie van China en Taiwan en de gewijzigde verhoudingen tussen de twee rechtvaardigen volgens Tommel “een open discussie”. Hij suggereert dat de behandeling van Taiwan aan de orde kan komen in het komende debat over het Nederlandse wapenexportbeleid. “Je kan de werkelijkheid niet buiten de deur houden.”

Binnen de VVD, altijd al een voorstander van een ruimhartiger Taiwan-beleid, heerst een zelfde mening. “De regering kan haar grenzen verleggen”, meent Kamerlid L. Rempt. “Wij vinden dat de defensiebedrijven hun eigen broek moeten kunnen ophouden. Als dat mogelijk is zonder andere belangen te schaden, dan staan we daar sympathiek tegenover.”

H. Vos (PvdA), voorzitter van de Kamercommissie voor economische zaken, heeft nota genomen van de overeenkomst die Taiwan vorige week sloot voor de levering van Franse fregatten ter waarde van 4,8 miljard dollar. Tegelijk wijst hij erop dat de Verenigde Staten Taiwan al twintig jaar van militaire technologie voorzien. Hij kan zich voorstellen dat Nederlandse werven die om werk verlegen zitten ook zaken willen doen met Taiwan, maar stelt dat gesprekken met Taiwan alleen kunnen gaan over de levering van componenten die niet onder het exportverbod vallen. “Voordat we over aanpassing van het regeringsstandpunt praten, zullen we eerst een indringende discussie moeten voeren. Niet alleen economisch, maar ook politiek.”

J. van Iersel (CDA) ziet geen enkele reden om het regeringsstandpunt te verlaten dat Nederland slechts één China, namelijk de Volksrepubliek, kent. De problemen in de Nederlandse defensie-industrie zijn in dat verband niet relevant, meent hij, evenmin als de bekoeling van de relatie met de Volksrepubliek na de bloedige onderdrukking van de democratiseringsbeweging in 1989. Wel zegt Van Iersel “nieuwsgierig” de inspanningen van de RDM te volgen bij het zoeken naar wegen voor eventuele leveranties aan Taiwan. “De Fransen hebben kennelijk ook een formule gevonden.”

Zolang het Nederlandse standpunt over Taiwan niet is versoepeld, is begrijpelijk dat Nederlandse werven contacten met het land bij voorkeur stilhouden. “We hebben het recht om wie dan ook, waar dan ook, waarover dan ook te spreken”, zei gisteren een RDM-woordvoerder in reactie op het bericht over de Taiwanese delegatie.