Een tafelmachine strooit met chocolaatjes

De Feestids, 5 okt t/m 16 nov in Galerie Ra, Vijzelstraat 80, 1017 HL Amsterdam, di t/m vr 12-18u. za I 1-17u. (Catalogus in het Nederlands en Engels) f 37,50.

Ze lijkt op Miss Piggy, maar ze heet heel deftig, Queen of the Night. Ze pronkt bovenaan de een meter hoge tafelfontein die keramist Niels Nielsen heeft ontworpen voor de 'Feestdis' de manifestatie waarmee de Amsterdamse sieradengalerie Ra vanaf zaterdag haar vijftienjarig bestaan viert.

Nielsen is een van de 39 ontwerpers van sieraden, keramiek, textiel en objecten die op utinodiging van galeriehouder, ontwerper en verzamerlaar Paul Derrex deelnemen aan dit bourgondische verjaardagsfeest. Zoals een internationale galerie als Ra betaamt, komt ongeveer de helft van hen uit Nederland en de andere helft uit eht buitenland, voornamelijk Europa

Het is deze groep die de afgelopen vijf jaar het gezicht van Ra heeft bepaald, door exposities in de galerie of op de KunstRai, of door deelname aan een uitwisselingsproject met Engeland van Ra samen met galerie De Witte Voet. Hun bijdragen worden geetaleerd in vitrines, zowel binnen de galerie als buiten op straat, en op een grote feesttafel die Ruud Jan Kokke hiervoor heeft ontworpen. Veel ontwerpen zijn unica, zoals de kleine gouden beker van Annelies Planteydt en Peter Changs zoutmolen in de vorm van de vin van een prehistorisch monster. De Zwitser Otto Kunzli levert commentaar op de overvloed van de feesttafel door een zoutvat in de vorm van een spaarpotje te maken. Er zitten ook prototypes voor serie - of zelfs industriele produktie bij, zoals het bestek van Herman Hermsen. De porseleinen borden van de Zuidafrikaan Daniel Kruger en de wonderlijke vaas van Lam de Wolf, een doorzichtige plastic zak gehangen in een metalen frame zijn in eigen produktie.

De Zwitser Pierre Degen, altijd in voor een grap, heeft veel tijd en, moeite gestoken in het ontwikkelen van een tafelmachine, een apparaat van een sublieme nutteloosheid dat door het opbranden van kaarsen zich in beweging zet en over tafel rijdt, een bloem omhoog steekt en ten slotte chocolatjes rondstrooit. "De buitenissigheid van de feestdis kennen we niet meer", zegt Paul Derrez (1950). In de vijftiende eeuw werden er nog reuzepasteien gemaakt met een geharnaste dwerg erin of een orkest, en vanaf de Renaisssance maakte je kans een nymf met spuitende borsten of tafel te treffen. Nu moet alles tuttig zijn. Een tafelstuk dat alleen maar decoratief staat te zijn en verder niets, is al heel bijzonder.

Midden jaren zeventig toen Paul Derrez bij hedendaagse sieraden betrokken raakte, zou een dergelijk frivoliteit vloeken in de kerk zijn geweest. Toen werd de toon nog bepaald door overwegingen als serieproduktie, betaalbaarheid en een breed bereik. Derrez was als stagiair van de edelsmidopleiding in Schoonhoven bij Galerie Sieraad komen werken, een initiatief van ontwerpers Hans Appenzeller en Lous Martin. Het idee was om moderne sieraden in grote, en dus betaalbare series te produceren om een bredere groep voor actuele vormgeving te interesseren: een ideeel, om niet te zeggen stichtelijk doel. Om uiteenlopende redenen sloot Galerie Sieraad eind '75 zijn deuren. Een klein jaar later ging Ra open, toen nog in Derrez's eigen atelier en vanaf 1983 in een bankgebouw aan de Vijzelstraat.

"Ik had wel iets van een missionaris," geeft hij onomwonden toe. "Ik wilde nieuwe ontwikkelingen laten zien, informatie verspreiden en het vakgebied vertegenwoordigen als een intermediair tussen de ontwerpers en het publiek. Er was immers veel gebeurd. Eind jaren zestig had een kleine groep ontwerpers als Gijs Bakker en Emmy van Leersum furore gemaakt met hun quasi-industriele kragen en armbanden van aluminium en kachelpijp. Maar in de jaren zeventig werd een bepaalde aanpak en vormgeving een maniertje, spottend 'Hollands Glad' genaamd. Ik was ervan overtuigd dat er voldoende vernieuwend talent te vinden was, maar toen Ra open ging stond het sieraad in Nederland opnieuw op een kruispunt: wat gebeurt er na het cataclysme?"

Om aan de versukkeling te ontkomen besloot Derrez behalve werk van zijn Nederlandse collega's ook dat van buitenlanders te tonen. Zijn eigen werk als ontwerper heeft hij toen op het tweede plan gezet. Ik wist meteen: ik moet een keuze maken. Er was geen spraken van dat mijn werkbank in de galerie zou staan. Het imago van eht sieraad was toen dat van het hobbyisme, zeg maar het geitewollensokken beeld van de crafts. Als je daar met grote hamers en vuur zit te werken, speel je in op het stereotype van de ambtachtsman. Wilde ik het vakgebied kunnen ontwikkelen en promoten, dan moet ik de produktie en presentatie gescheiden houden.

Internationaal gezien staat Nederland volgens Derrez hoog aangeschreven. We hebben niet meer de stilistische herkenbaarheid van Hollands Glad, maar wat hier gemaakt wordt is goed, zowel wat de techniek als wat de ideeen betreft. Bovendien is er geen ander land met zoveel galeries en met zo,n uitwisseling van informatie.

Paul Derrez komt zelf uit een familie van juweliers - oorspronkelijk zou hij de zaak in Sittard voortzetten en kent de fantasieloze rol van het traditionele sieraad beter dan hem lief is. "Een slavenarmband op je 21ste, een ketting met een kruisje bij het trouwen. Volgens mij hebben vrouwen altijd sieraden gekregen als beloning voor bewezen, of nog te bewijzen, seksuele diensten. Ik vind dat je een sieraad juist moet waarderen om de vorm en het idee die het uitdrukt. Het sieraad moet staan voor een idee en voor de persoon die het gemaakt heeft. Met dezelfde radicaliteit waarmee ik mij met de homo-emancipatie, heb verenigd, heb ik het sieraad willen emanciperen."

Paul Derrez bekijkt het toenemende gebruik van edelmetaal met enige reserve. "De ontwerper dreigt daardoor zijn vrijheid te verliezen. Het materiaal is duur, dus hij voelt zich minder vrij om te experimenteren. Omdat het duur is, is het lucratief, waardoor het voor de ontwerper wel moeilijk wordt om terug te gaan naar papier of plastic." Wel heeft Derrez ervoor geijverd dat het sieraad duurder werd. "In vergelijking met het buitenland was Nederland een belachelijke enclave. Nu zijn de prijzen vergelijkbaar met andere vormen van toegepaste kunst, bij voorbeeld keramiek."

Evenals keramiek - maar dan wat later - is het hedendaagse sieraad interessant voor verzamelaars geworden. Derrez is samen met zijn partner Willem Hoogstede in 1975 begonnen met een verzameling die inmiddels 350 stuks vanaf midden jaren zestig bevat. "Onze collectie is puur door onze persoonlijke voorkeuren bepaald zegt hij. "Er zitten bij voorbeeld weinig oorbellen in. Het heeft geen museale pretenties, het is niet eens volledig gedocumenteerd.- Toch werd in 1986 hun verzameling geexposeerd in het Kruithuis in Den Bosch.

In de vijftien jaar dat Ra bestaat is niet alleen het materiaalgebruik verschoven, ook het koopgedrag is nogal veranderd. "In het begin waren de kopers vooral mannen: zij verdienden het geld en waren i op de hoogte van de ontwikkelingen in de kunst. Kochten ze iets voor hun vrouw en kwam zij het de volgende dag terugbrengen omdat het ondraagbaar is, dat wil zeggen dat ze het eigenlijk maar een raar ding vindt. Maar eind jaren zeventig is dat veranderd: vrouwen werden beter opgeleid, kregen bredere interessen, hadden zelf een baan en dus zelf geld. Bij Ra heb ik de hele omkering van dat rollenpatroon gezien.

Het publiek is in de loop der jaren groter geworden, maar Derrez beseft terdege dat die groei eindig is. "De sieraden die ik in Ra laat, zien zou ik niet elitair willen noemen, maar ze zijn wel specialistisch. Om ze te waarderen moet je je erin verdiepen en een brede culturele kennis hebben. Dan spreek je over niet meer dan tien procent van de Nederlandse bevolking, dat hebben we toen met Galerie Sieraad gezien. Het zou naief zijn te denken dat er ooit even. veel sieradengaleries zullen zijn als juwelierszaken.

    • Tracy Metz