Een kooi van Faraday

Reizen is dromen. Je koopt een treinbiljet zoals je een slaappil uit het doosje neemt.

Uit de stilte van een sluimerend huis, met dierbaren die je uit het hoofd hebt geleerd, stap je in een rijdende kooi van Faraday die zich door steden en landschappen spoedt. Je zit tegenover vreemden die je bij stukjes en beetjes in ogenschouw neemt. Je hoort ze met elkaar praten (zelf ben je verlegen of misschien ook hooghartig), nieuwsgierig naar hun afkomst, burgerlijke staat, karakter en doel van hun reis. Geleidelijk kom je dat alles te weten. Het is een kruiswoordraadsel waar je je onder het reizen mee vermaakt. Je zou teleurgesteld zijn, en het zou je ook niet interesseren, wanneer je alles in een keer te horen kreeg. Wanneer je in Parijs of Basel uit de trein stapt en je medereizigers ziet verdwijnen, uit elkaar stuiven, moet er iets te gissen overblijven: de betekenis van een zegelring, de herkomst van een litteken op de wang van een meisje, de titel van het boek waarin een zwijgzame heer heeft zitten lezen.

Je bent door alle stadia van de omgang tussen mensen heengegaan. Je bent elkaar moe geweest, ineens, voorbij de grens, toen het pas goed duidelijk werd dat de reis aardig lang zou duren. Je hebt een hand ontluisterd door er al te lang naar te kijken, ogen te ondiep, een schedel te vlak, een voet te zwaar, een stem te gewoon bevonden. Je bent in de intimiteit van een oneigenlijk leven afgedaald toen een koffer uit het net werd getild en opengedaan, en de ordelijkheid van opgevouwen kledingstukken je weemoedig stemde.

Je hebt mensen zien eten alsof zij zich schaamden en zich op bekertjes met koffie zien storten. Slaperigheid, verveling zijn uitgebroken. Je hebt je medereizigers zien dutten, met een knikkebollend hoofd en een mond die openviel. Bij het oor van een man is een vlieg vertrokken, op zoek naar iets dat hij met zijn slurf kan bevochtigen en opzuigen. De vlieg wandelt over de wang van de man en zijn hand gaat omhoog, gedesoriënteerd door de slaap, onzeker over de richting waarin zij moet tasten. Je zou die man willen helpen door de vlieg weg te jagen, maar onze omgangsvormen verhinderen je iets anders dan een stille getuige te zijn, nog afgezien van het gevaar dat je hand zou uitschieten en je de man door een volstrekt onverdiende klap uit zijn slaap zou opschrikken.

Je hebt gezien hoe het hoofd van een meisje achteroverleunde in de hoek tussen de bank en het schot van de corridor, naar vastheid zoekend. Haar ogen hebben zich gesloten, geloken, haar gezicht is stil geworden, zo stil, haar mond is gaan dromen, bijna als een afzonderlijk ding, als een blad dat op het water drijft. Je hebt zelf geslapen en wanneer je ontnuchterd wakker wordt zie je dat de uitwisseling van vertrouwelijkheden met een zekere haast wordt voortgezet, omdat het doel van de reis naderbij komt.

Gelouterd kijk je naar de landschappen die één groot landschap blijken te vormen, door geen grenzen te scheiden, en die hun vloeiende stilstand als een fantastische tegenstelling uitspelen tegen de helderziende begrensdheid van jouw kooi van Faraday.

Op grote verlaten stations staat de trein minutenlang stil. Een medereiziger heeft het raam opengedraaid en je hoort de afstandelijke wind, metafysisch als in een gedicht van Achterberg. Een vrouw heeft afscheid genomen en verwijdert zich op het perron, de handen in de wijde zakken van een onvergetelijke regenmantel. Tranen vloeien over haar gezicht. Mensen zijn engelen, denk je, die grote verwoestingen aanrichten.

Eens, in het vroege najaar, zat ik in een internationale trein alleen met een oud echtpaar. Ze waren tussentijds ingestapt. De man verwisselde zijn colbertjasje voor een ouder exemplaar. Hij rookte eerst een sigaartje voordat hij op zijn pijp overging, die hij zorgvuldig stopte en daarna al even zorgzaam aanstak. Hij nam enkele aanlopende trekjes en blies toen een flinke duurzamere rook naar het landschap achter het coupéraam. De vrouw las de krant, at een boterham, waarvoor de man bedankte, en begon daarna te breien. Vlak voor de grens stond de oude heer op, keek links en rechts naar buiten en zei: “Zeg schat, begrijp je wel dat wij met vakantie zijn?”