Derde Wereld heeft een fatalistische kijk op de vluchteling

Steeds wanhopiger wordt in de Westeuropese hoofdsteden gezocht naar een oplossing voor het probleem van de snel aanzwellende stroom asielzoekers en vluchtelingen uit Oost-Europa en de Derde wereld. Vergeten wordt vaak dat de Derde wereld zelf al jaren kampt met veel grotere aantallen vluchtelingen dan West-Europa

Terwijl het rijke West-Europa zich opwindt over enkele tienduizenden Alanese vluchtelingen en bezorgd toeziet hoe de stroom asielzoekers gestadig stijgt, zitten veel arme Derde Wereld landen al jaren opgescheept met honderduizenden, soms miljoenen vluchtelingen.

De opvang van deze scharen ontwortelden verloopt- een enkele uitzondering als de Iraakse Koerden daargelaten - bijna altijd geruisloos. Slechts incidenteel sijpelen er berichten door over conflicten tussen vluchtelingen en inwoners van het gastland. Hoe valt dit verschil tussen het Westen en de Derde wereld te verklaren? Zijn wij in het rijke Westen hardvochtiger dan de mensen in armere streken van de wereld'. Deze laatste suggestie wordt resoluut van de hand gewezen door Alex de Waal van de in Londen gevestigde organisatie 'Africa Watch': "Als die landen dezelfde middelen tot hun beschikking hadden, zouden ze zich waarschijnlijk net zo tegenover vluchtelingen gedragen als de Westerse staten. Maar ze missen gewoon het vermogen om hun lange grenzen goed te controleren. De vluchtelingen kunnen zonder moeite binnenkomen, en als ze er eenmaal zijn, vallen ze dikwijls nauwelijks meer te onderscheiden van de plaatselijke bevolking". In de wetenschap dat toch niet valt te controleren of de vluchtelingen weer terugkomen, doen de autoriteiten ook zelden of nooit pogingen om de vluchtelingen tegen hun zin over de grens te zetten. Dat ligt anders in een land als Hongkong en sommige staten in Zuidoost-Azie, die Vietnamese bootvluchtelingen zonder pardon het land weer uitzetten. Men zou veel Derde-wereldlanden te kort doen door de toelating uitsluitend toe te schrijven aan hun onvermogen de vluchtelingen buiten de deur te houden. "Het is vooral een gevoel van medemenselijkheid wat die mensen in de gastlanden drijft", meent Klaas Keuning, directeur van de Stichting Vluchteling in Den Haag. In grote delen van Afrika en Azie, de broedplaatsen van het leeuwedeel van de vluchtelingen in de wereld, heerst nog altijd een oeroude traditie van ruimhartige gastvrijheid: bezoekers en zeker stamgenoten die in een benarde situatie verkeren, horen hartelijk te worden ontvangen. Met juridische haarkloverijen houden ze zich niet bezig.

De verschillen in opvang komen mede voort uit een fundamenteel andere kijk op de wereld. Wij beschouwen het veelal als een kwestie van liefdadigheid wanneer we vluchtelingen helpen. Onze eerste zorg is echter: kunnen we hen buiten ons land houden", zegt een ervaren hulpverlener in Geneve. die anoniem wil blijven. "De ontwikkelingslanden daarentegen aanvaarden de komst van de vluchtelingen met een zeker fatalisme, als iets onontkoombaars waartegen je je niet actief hoeft te verzetten zoals in het Westen gebeurt.

Een wezenlijke verklaring voor het gemak soms gigantsiche golven vluchtelingen worden opgevangen, vormt de stamverwantschap. Deze band lijmt gemeenschappen die in theorie door moderne staatsgrenzen zijn gescheiden nog steeds vann elkaar.

De Pathanen in het noordwesten van Pakistan vonden het volstrekt vanzelfsprekend hun Afghaanse stamgenoten te verwelkomen toen de oorlog in Afghanistan eind jaren zeventig in alle hevigheid losbarstte. Ook al groeide de vluchtelingenstroom aan tot meer dan drie miljoen mensen het kwam zelden tot incidenten. Slechts op plaatsen in Pakistan waar de Pathanen niet in de meerderheid zijn, zoals in Karachi, loopt de toestand soms ernstig uit de hand.

Ook bij de vlucht uit Mozambique naar Malawi, woog etnische stamverwantschap aanvankelijk zwaar. De eerste paar honderdduizend vluchtelingen vestigden zich bijna zonder uitzondering vlak over de grens met Malawi in het gebied waar stamgenoten zaten en mensen die dezelfde taal spraken. Later, toen de vluchtelingenstroom naar Malawi aanzwol tot bijna een miljoen, moesten ze ook elders in het land worden ondergebracht, meestal in speciale vluchtelingenkampen. Ook hier is de opvang evenwel mede dank zij substantiele Westerse steun, betrekkelijk geruisloos verlopen.

Iran heeft de afgelopen jaren eveneens reusachtige aantallen vluchtelingen opgenomen. Sinds het begin van de jaren tachtig zo'n twee miljoen Afghanen en door de jaren heen ook nog eens vele tienduizenden Iraakse shi'ieten. Bovendien opende Iran in april van dit jaar de grens voor meer dan een miljoen opgejaagde sunnitische Iraakse Koerden. Dit ondanks het feit dat Iran het zelf ook regelmatig aan de stok heeft met leden van de eigen Koerdische minderheid, ondanks het feit ook dat Iran nog op geen stukken na is hersteld van de verwoestingen van de acht jaar durende oorlog tegen Irak.

De shi'itische geloofsgenoten werden zonder veel morren opgenomen. Anders lag dat met de sunnitische vluchtelingen, zowel Afghaanse als Koerdische. Die werden weliswaar Iran niet uitgezet maar wel danig gediscrimineerd door de bevolking. Niettemin staken de Iraanse autoriteiten gunstig af bij de Turken, die de Iraakse Koerden niet verder lieten komen dan uiterst onherbergzame hellingen hoog in de bergen. Ondanks een soms weinig cooperatieve houding, heeft waarschijnijk geen afzonderlijk land meer geld uitgetrokken voor de Iraakse Koerden dan Iran. Het grootste deel van deze groep is intussen weer naar huis teruggekeerd, overigens waar nodig daartoe aangespoord door de autoriteiten.

In landen waar de stamverwantschap ontbreekt, ontstaan meestal meer problemen. Soedan is zo'n land. Het huisvestte jarenlang Eritrese vluchtelingen, die weinig gemeen hadden met de inheemse Soedanese bevolking. Dit zorgde voor spanningen. Ook een reusachtige stroom vluchtelingen van een paar miljoen uit het zuiden naar Khartoum zorgde voor wrijving. De zuiderlingen, die van een ander ras en een andere godsdienst zijn dan de noorderlingen, vluchtten voor het geweld en de honger die uitbraken als gevolg van de strijd tussen het regeringsleger en de guerrillabeweging SPLA.

"Onderling was de Soedanese regering steeds zeer verdeeld over de vluchtelingen", zegt Alex de Waal. Het Soedanese ministerie van buitenlandse zaken, dat van handel en ook de president zagen de vluchtelingen - vooral die van buiten het land - graag komen. Dank zij hen kwamen er immers via de buitenlandse hulporganisaties veel harde valuta Soedan binnen. Met deze inkomsten - die aanzienlijk stegen door een absurd ongunstige wisselkoers aan de hulporganisaties op te leggen - kon de regering onder andere de oorlog tegen het SPLA bekostigen. Ook leverde de hulpverlening het land veel baantjes op. "De bureaucratie kreeg er een impuls door", zegt De Waal. "Na verloop van tijd bestond een groot deel hiervan uit hulpverleningsambtenaren."

Het ministerie van binnenlandse zaken en de politie daarentegen zagen in de invasie van vluchtelingen een destabiliserende factor, die tot misdaad en sociaaleconomische spanningen zou leiden. Af en toe werd en wordt er - onder druk van sommigen in de regering - hard opgetreden tegen de vluchtelingen, met name tegen die uit het zuiden. Soms worden in Khartoum hele sloppenwijken tegelijk door bulldozers met de grond gelijk gemaakt, waarna de zuiderlingen die daar woonden zonder pardon een eind de woestijn in worden gedreven en aan hun lot overgelaten.

In Malawi was sprake van soortgelijke dissidente geluiden binnen de regering als in Soedan. "Vorig jaar begon in regeringskringen enig verzet te groeien, maar na ingrijpen van president Banda worden deze geluiden nu niet meer gehoord", meldde Keuning na een recent bezoek aan Malawi.

Ook Libanon kan meepraten over de moeilijkheden die de vluchtelingen kunnen veroorzaken. De honderdduizenden Palestijnen in het land namen vanaf een vroeg stadium naar hartelust deel aan de burgeroorlog in het land, nadat ze als het ware een staat in de staat waren geworden.

Het is niet ongebruikelijk dat de autoriteiten in de gastlanden de vluchtelingen, als die er toch eenmaal zijn, voor hun eigen politieke doeleinden gebruiken. De dit jaar ten val gekomen Somahsche president Siad Barre recruteerde regelmatig Ethiopische vluchtelingen voor zijn leger om stammen te bevechten waarmee hij in oorlog was. Ook had hij er - zoals wel meer gastlanden - een handje van om extra valuta te verwerven door bij hulporganisaties een veel hoger aantal vluchtelingen op te geven dan er in werkelijkheid was.

In het buurland Ethiopie gaf het bewind van de inmiddels eveneens verdreven Mengistu Haile Mariam het SPLA de Vrije hand om strijders te recruteren onder de Soedanese vluchtelingen in het zuidwesten van het land. Daarmee werd de Soedanese regering het leven moeilijk gemaakt. Omgekeerd steunde de regering in Khartoum weer de Eritrese rebellen, die dikwijls vanuit kampen in Soedan opereerden tegen de Ethiopische machthebbers.

Thailand duldt al jaren honderdduizenden Cambodjaanse vluchtelingen aan zijn grens, niet alleen om humanitaire redenen maar ook uit strategische overwegingen. Bangkok moest niets hebben van het door communistisch Vietnam gesteunde bewind in Cambodja. De vluchtelingen werden daarom niet teruggedreven in de handen van Phnom Penh en de guerrillabeweging van de Rode Khmers en andere verzetsgroepen konden naar hartelust nieuwe krachten recruteren onder de vluchtelingen die zich ophielden aan de Thaise kant van de grens met Cambodja. Nadrukkelijk heeft de Thaise regering er steeds op gehamerd dat er geen sprake van kon zijn dat de Cambodjaanse vluchtelingen voorgoed in Thailand zouden worden opgenomen.

Ook Pakistan tolereerde de Afghaanse vluchtelingen niet voor niets. Het was vooral de vroegere president Zia ul-Haq die erin slaagde veel militaire en economische steun voor zijn land los te krijgen door zich op te werpen als een laatste bolwerk tegen het oprukkende communisme. De aanwezigheid van de vluchtelingen - slachtoffers van de wandaden van het communisme - versterkten deze indruk. Bovendien kon onder supervisie van de Pakistaanse geheime dienst vanuit de vluchtelingenkampen het gewapend yerzet worden georganiseerd.

Toch geven dit soort politieke aspecten niet de doorslag. "De komst van de vluchtelingen biedt misschien een gunstige gelegenheid maar vormt niet het motief voor de gastlanden om ze binnen te laten", meent de eerder genoemde hulpverlener in Geneve. Keuning deelt deze opvatting en herinnert er aan dat de gastlanden er meestal van uitgaan dat het verblijf van de vluchtelingen maar van korte duur is, ook al pakt dat in de praktijk dikwijls anders uit. Ook de omstandigheid dat talloze handige jongens in de ontwikkelingslanden, al dan niet door corruptie, veel geld verdienen aan de Westerse hulpverlening speelt maar een ondergeschikte rol bij de toelating.

Het feit dat er zich naar verhouding zo weinig strubbelingen voordoen bij de vluchtelingenopvang in de Derde wereld, betekent beslist niet dat de ontwikkelingslanden niet gebukt zouden gaan onder deze last. De komst van de vluchtelingen leidt bijna altijd tot ontwrichting in het gebied waar ze terechtkomen. Samen met de plaatselijke bevolking moeten de nieuwkomers vooral in het begin gebruikmaken van de meestal toch al schaarse hulpmiddelen, van hetzelfde brandhout dezelfde waterputten, dezelfde landbouwgrond, dezelfde kliniekjes en dezelfde schooltjes. Dikwijls ontvangen in het beginstadium alleen de vluchtelingen en niet de plaatselijke bevolking hulp, wat tot scheve ogen bij de laatsten leidt. Hulporganisaties worden zich in toenemende mate van dit probleem bewust en proberen ook de inheemsen te helpen. Uiteindelijk zijn die het die zonder al te veel morren het leeuwedeel van de verschoppelingen van de wereld naast zich tolereren.

    • Floris van Straaten