De tijd is nu rijp voor een onafhankelijk Kosovo; De wereldopinie zal het streven van Kosovo - mits publicitair goed 'verkocht' - steunen.

Het is opmerkelijk dat de Albanese minderheid in Joegoslavië, waarvan het merendeel in Kosovo woont, tot nu toe nauwelijks van zich heeft laten horen.

Gelet op de lange, complexe maar vooral ook turbulente voorgeschiedenis had deze groepering daar immers alle aanleiding toe. Het is dan ook aannemelijk dat die Albanese minderheid alsnog - al dan niet gewapenderhand - aandacht zal vragen voor haar onafhankelijkheidsstreven.

Voor Servië vormt Kosovo een onlosmakelijk deel van zijn historische en culturele erfgoed. Het middeleeuwse Servische koninkrijk had immers zijn oorsprong in de gebieden Metohija en Kosovo, gelegen noord-west van het Albanese berggebied. Van daaruit werd dit koninkrijk langzamerhand uitgebreid. Aan de groei van dit Servische koninkrijk werd in 1389 een halt toegeroepen. Toen werden onder meer de Serviërs op het "Merelveld' (nu Kosovo) beslissend door de Turken verslagen. Wat overbleef van dat Servische koninkrijk verplaatste zich in noordelijke richting en werd samengeperst op een aanzienlijk kleiner gebied, dat ongeveer overeenkwam met het huidige Servië. Het Ottomaanse rijk bezette de gebieden Metohija en Kosovo, de nog achtergebleven Serviërs trokken langzamerhand weg en de leemte werd opgevuld door Albanese bergbewoners, die zich steeds meer tot de islam bekeerden. Deze gebieden bleven onder Ottomaans bestuur tot het begin van deze eeuw.

Echter ook voor Albanië is Kosovo de bakermat van Albanees nationalisme. De eerste georganiseerde Albanese nationalistische bewegingen, de Albanese Bond van Prizren (1878) en de Bond van Pec (1899) werden daar opgericht. Ook gedurende de nationalistische opstanden van 1902-1912 speelden de Albanezen uit Kosovo een beslissende rol.

Pas na de twee Balkanoorlogen (1912 en 1913) kwam er een einde aan de Turkse overheersing van het zuidelijke deel van de Balkan. De nationalisten in Albanië riepen in 1912 een onafhankelijke staat Albanië uit. Zij hadden echter erop gerekend dat Kosovo, waar ook toen al etnische Albanezen de meerderheid van de bevolking vormden, zou worden toegewezen aan Albanië. Maar de zogenaamde Ambassadeursconferentie in Londen in 1913 wees onder andere dit gebied definitief toe aan Servië, dat immers als één van de overwinnaars uit de Balkanoorlog was gekomen.

Kosovo was na eeuwenlange Turkse overheersing een achtergebleven gebied gebleven. De Servische regering propageerde dan ook de emigratie van Servische boeren naar Kosovo (waarbij oorlogsveteranen de voorkeur kregen) met als doel dat achtergebleven gebied tot ontwikkeling te brengen. Een bijkomend voordeel daarvan was dat zodoende gelijktijdig de etnische wanverhouding enigszins in evenwicht werd gebracht. Vanzelfsprekend ontstonden er al spoedig twee gemeenschappen; een betrekkelijk kleine, maar relatief moderne en welvarende Servische gemeenschap en een omvangrijke, arme, achterlijke Albanese gemeenschap.

In 1941 raakte Joegoslavië (de nieuwe naam sinds 1929) in de Tweede Wereldoorlog betrokken. Na het ineenstorten van het Joegoslavische koninkrijk werd Kosovo - en overigens ook andere gebieden waar etnische Albanezen woonden - door de As-mogendheden samengevoegd met het, met Italië sympathiserende, koninkrijk Albanië. Een politieke zet waarmee de Italianen handig inspeelden op oude Albanese nationalistische verlangens.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Joegoslavië de bekende federatieve structuur van zes republieken en twee onafhankelijke gebieden. Eén ervan was het autonome gebied (oblast) Kosmet, een samenvoeging van Kosovo en Metohijja. Als reactie hierop braken daarna in Kosmet ongeregeldheden uit die in 1944 hardhandig door het leger werden neergeslagen. Kosovo bleef echter een onrustig gebied met voortdurende onrust en reeksen van incidenten; in 1968 ontstonden dan ook opnieuw onlusten. Duizenden demonstranten trokken de straat op, met als belangrijkste eis dat Kosovo de status van een onafhankelijke republiek zou krijgen. Tito voerde een aantal grondwetswijzigingen door, waardoor Kosovo aanzienlijk meer autonomie kreeg en nagenoeg dezelfde rechten als een republiek. Ook de officiële benaming werd veranderd in "Socialistische Autonome Provincie Kosovo'. Kosovo kreeg meer economische hulp en de universiteit van Pristina, de hoofdstad van Kosovo, kreeg een zelfstandige status. Bovendien mochten de culturele banden met Albanië worden hersteld. Daarmee was weliswaar een groot aantal van de wensen vervuld, maar de eis "Kosovo onafhankelijke republiek' werd niet ingewilligd.

Langzamerhand was Kosovo ook veranderd van een multi-etnische samenleving in een overwegend Albanese provincie. Tussen 1961 en 1981 steeg het percentage Albanezen van ongeveer 67 procent tot 78 procent. Dit werd in belangrijke mate veroorzaakt door de geboortecijfers van de Albanezen, die zesmaal zo hoog waren als die van de Serviërs. Desondanks waren de Serviërs in de sociaal-economische bovenlaag onevenredig vertegenwoordigd. Ondanks de economische steun bleef de levensstandaard de laagste van Joegoslavië. Vele Kosovars waren werkloos, onder wie ook veel studenten die waren afgestudeerd aan de universiteit in Pristina, met als gevolg een uittocht van jongeren die probeerden in het "rijke westen' als gastarbeider hun geluk te beproeven.

Kortom de situatie was rijp voor een nieuwe uitbarsting en die volgde dan ook in 1981. Weer viel de eis "Kosovo republiek' te horen. Dit keer greep de federale regering in Belgrado terug op het beproefde recept, namelijk repressie en zuivering van de partij - de overheidsorganen. Het leger, de politie en de veiligheidsdienst grepen hardhandig in. Officiële rapporten maken melding van negen doden en meer dan tweehonderdvijftig gewonden. Andere bronnen schatten het aantal doden op bijna duizend. Meer dan driehonderd Albanezen werden veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen.

Aan de eis voor een zelfstandige republiek werd niet toegegeven. Voor de federale regering was een wijziging van de toch al zeer gekunstelde federale structuur onbespreekbaar, bevreesd als zij waren voor precedentwerking. Bovendien leefde de - naar mijn mening ongegronde - angst dat een onafhankelijke republiek Kosovo zich mogelijk zou aansluiten bij Albanië. Bij de republiek Servië was de gedachte aan een onafhankelijk Kosovo al taboe. De druk op Kosovo werd dus opgevoerd, de activiteiten van de veiligheidsdienst namen toe en wederom werd emigratie van Serviërs naar Kosovo gepropageerd.

In Kosovo nam de anti-Servische houding begrijpelijkerwijs toe, de situatie polariseerde. Vele tienduizenden Serviërs voelden zich hierdoor bedreigd en trokken weg uit Kosovo. Hierdoor werd de etnische wanverhouding nog beroerder: van de bevolking van Kosovo (ongeveer 1,8 miljoen inwoners) is nu negentig procent Albanees. Voor de Albanese minderheid in Joegoslavië moeten bovendien ook de circa 380.000 Albanezen (ongeveer negentien procent) die in het aan Kosovo grenzende deel van Macedonië wonen, worden meegerekend.

Na het veertiende partijcongres van de communistische partij van Joegoslavië in januari 1990, waarbij het duidelijk werd dat Slovenië en Kroatië vastbesloten waren hun eigen gang te gaan, vatte Kosovo kennelijk ook weer moed. Op 2 juli 1990 werd in het parlement van Kosovo een voorstel voor onafhankelijkheid van Kosovo met grote meerderheid aangenomen; drie dagen later werd het parlement echter door Servië ontbonden en de stemming ongeldig verklaard. Op 13 september 1990 riep het parlement tijdens een geheime vergadering de republiek Kosovo uit; bijna onmiddellijk daarna werden de parlementariërs gearresteerd. Sindsdien is het parlement niet meer bijeen geweest. Het opmerkelijke is dat deze toch diep ingrijpende Servische maatregelen nauwelijks aanleiding hebben gegeven tot incidenten en ongeregeldheden. Dat kan betekenen dat het onderdrukkingsapparaat de situatie in Kosovo vrij goed onder controle had. Intussen ging Servië door met het terugdringen van de Albanese invloeden. Onlangs nog werden bijna zesduizend leraren ontslagen die weigerden het Servische lessenpakket te volgen en kregen honderddertigduizend scholieren opdracht hun schooljaar over te doen.

Resteert de vraag wat nu nog de mogelijkheden zijn om die al zo lang gekoesterde vurige wens van een onafhankelijk Kosovo te realiseren. In Kosovo zijn twee min of meer nationalistische partijen actief. De PDA, een moslimpartij, met als doel het tegengaan van de onderdrukking van de moslims in Bosnië, Macedonië en Kosovo. Deze partij zou in Kosovo een "Moslim Defensie Raad' hebben opgericht, waarbij het voorlopig onduidelijk is wat in dit geval precies daaronder moet worden verstaan. De tweede partij is de ADK (wat ongeveer staat voor Albanees democratische partij in Kosovo). Deze partij is betrekkelijk jong (opgericht in december 1989) en beweert nu reeds zevenhonderdduizend leden te hebben. Ook beweert zij steun van Albanië te ontvangen.

Kennelijk bestaat er dus sinds korte tijd een politieke organisatie die leiding zou moeten kunnen geven aan dat onafhankelijkheidsstreven. Aangenomen moet ook worden dat men na zo'n lange voorgeschiedenis in ruime mate over kleinkaliber wapens beschikt, hoewel de Albanese minderheid nooit zal zijn opgewassen tegen de reguliere en irreguliere Servische gewapende machten.

De republiek Servië zal waarschijnlijk een eventueel gewapend verzet in Kosovo zo spoedig mogelijk de kop in proberen te drukken, waarbij niet zal worden geaarzeld zeer hardhandig op te treden. De Servische aandacht is immers gericht op de "bevrijding' van de Servische minderheden in Kroatië; ongeregeldheden binnen eigen gebied komen op dit moment derhalve zeer ongelegen. In geval van een confrontatie mag Kosovo verwachten tenminste (de morele en politieke) steun te krijgen van Kroatië en Slovenië.

Ook de wereldopinie zal waarschijnlijk het streven van Kosovo - mits publicitair goed "verkocht' - steunen. Wat wordt toegestaan aan de één, kan tenslotte nauwelijks worden geweigerd aan de ander.

Dat betekent dat - ondanks de ongetwijfeld zware Servische repressie - de tijd rijp en het tij gunstig lijkt voor een zoveelste poging om te komen tot een onafhankelijk Kosovo. Aangezien de Albanese minderheid dat zelf ook wel zal hebben onderkend, mag worden verwacht dat zij op korte termijn tot actie overgaan.