Roemeense mijnwerkers hebben de verkeerden naar huis gestuurd; Chaos zou kunnen uitmonden in nieuwe dictatuur

In Roemenië lijkt de rust weergekeerd: de mijnwerkers uit de Jiu-vallei, die vorige week als een zwerm kwade zwarte torren op de hoofdstad Boekarest neerdaalden, zijn weer vertrokken. De doden zijn begraven, de rommel is opgeruimd, de traangasdampen zijn opgetrokken en in het parlement en in de media gonst het hooguit, zoals te verwachten was, van de complottheorieën over de vraag welke samenzweerders ditmaal de stok in het wiel van de breekbare democratie hebben gestoken.

De rust is bedrieglijk: Roemenië staat aan de rand van de chaos. De mijnwerkers hebben meer gedaan dan een premier dwingen ontslag te nemen. Ze hebben Roemenië in een impasse gedrongen, in een doodlopende straat waaruit ontsnapping bijna onmogelijk is.

Het protest van de Roemeense mijnwerkers was vorige week symbolisch: het symboliseerde het ongenoegen en de ontevredenheid van de werkelijke slachtoffers van de moeilijke overgang naar het systeem van de vrije markt in Roemenië en in heel Oost-Europa. Die werkelijke slachtoffers zijn - naast de bejaarden die geen mogelijkheid hebben een vuist te maken - de arbeiders. In heel Oost-Europa biedt de huidige fase van de overgang in elk geval sommige segmenten van de beroepsbevolking kansen: land wordt verdeeld en boeren kunnen voor zichzelf beginnen, honderdduizenden kleine ondernemers zijn een bedrijf begonnen, intellectuelen en goed opgeleide jongeren hebben meer mogelijkheden gekregen in de zich snel uitbreidende privésector.

De arbeiders echter zijn het kind van de rekening, een rekening die voornamelijk bestaat uit een steeds grotere kans op het verlies van hun baan als gevolg van sluiting van hun bedrijf of inkrimping van de produktie, een gierende inflatie, prijsstijgingen die produkten onbetaalbaar maken en onveranderd slechte (of zelfs verslechterende) werkomstandigheden. Het hervormingsbeleid heeft juist bij de arbeidersklasse geleid tot een diepe desillusie: de bevrijding van het oude systeem heeft vrijheden gebracht, maar vrijheden kun je niet eten en buiten die vrijheden is er alleen maar misère.

Dat geldt niet alleen voor Roemenië, het geldt voor alle Oosteuropese landen. Het geldt wel bij uitstek voor Roemenië: daar is de regering van premier Petre Roman er - voornamelijk door een falend public relations-beleid - niet in geslaagd de bevolking haar bedoelingen duidelijk te maken, politiek krediet en geloofwaardigheid op te bouwen en een eind te maken aan de geweldige politieke polarisatie waarvan al sinds de revolutie van 1989 sprake is.

Dat betekent echter niet dat de regering-Roman een slechte regering was. Roman en zijn technocraten - radicale hervormers als de vice-premiers Adrian Severin en Eugen Dijmarescu - hebben de afgelopen maanden tientallen belangrijke hervormingswetten door een aarzelend parlement gejaagd en daarmee een basis gelegd voor een nieuw economisch systeem. Ze hebben daarbij in wezen dezelfde weg bewandeld als in Polen Leszek Balcerowicz en in Tsjechoslowakije Václav Klaus: de enige weg die mogelijk lijkt om zo snel mogelijk naar een vrije markteconomie te komen. Voor dat beleid bestaat geen alternatief - afgezien van de tragere scenario's, die met de hervormingen ook de pijn van die hervormingen over een langere periode uitspreiden.

Toen de mijnwerkers vorige week - al dan niet gemanipuleerd door stiekeme communisten, ex-securisti of oude nomenklatoeristen - naar Boekarest kwamen om, wijzend op de misère van de prijsverhogingen en de inflatie, het hoofd van de onbegrepen en onbeminde Roman en zijn ploeg te eisen, en toen Roman, met het schrikbeeld van het optreden van de mijnwerkers in juni vorig jaar voor ogen, ijlings aftrad, werd Roemenië een dubbele impasse binnengeleid.

De eerste impasse heeft met het beleid van doen: er is, wat de mijnwerkers ook roepen, geen zinvol alternatief voor het hervormingsbeleid van de regering-Roman-Severin-Dijmarescu. Teodor Stolojan, die gisteren is verzocht een nieuwe regering te vormen, zal in principe dezelfde hervormingsbesluiten moeten nemen, en die zullen niet minder pijn doen dan die van het verdreven kabinet. Er kan wellicht sprake zijn van politieke koerswijzigingen, van een bredere politieke basis, van een beter pr-beleid, er kan ook beter dan onder Roman worden gewied in het gigantische bestand van corrupte of saboterende bureaucraten, maar economisch lijkt er ook voor een kabinet-Stolojan maar één weg te gaan, en het is daarom bepaald niet uitgesloten dat de volgende regering binnen de kortste keren zelf horden kwade mijnwerkers over de vloer krijgt. Tenslotte, die nieuwe regering wekt hoe dan ook verwachtingen en Roemeense mijnwerkers hebben aangetoond niet alleen veel minder geduld te bezitten dan arbeiders elders in Oost-Europa maar ook hardhandiger te kunnen optreden. Dat de kompels ditmaal op ruime schaal de steun hebben gekregen van het Lumpenproletariat van Boekarest zelf, de have-nots van wijken als Lipscani en Obor, is een zeer onheilspellende bijkomstigheid.

De tweede impasse is van personele aard. De mijnwerkers hebben de verkeerde mensen weggestuurd, misschien zelfs de enigen in het land die in staat zijn een zinvol hervormingsbeleid gestalte te geven: het trio Roman, Severin en Dijmarescu en hun team. Op krachtig aandringen van de mijnwerkers eist president Iliescu nu de vorming van een regering van nationale eenheid - dat wil zeggen van een coalitieregering met de oppositie - onder een "partijloze en neutrale' premier. Zijn voorlopige keus is daarbij gevallen op Teodor Stolojan, tot april minister van financiën in Romans kabinet.

Roemenië beschikt slechts over een flinterdun kader, een gevolg van het isolement ten tijde van Ceausescu; slechts de kinderen van de nomenklatoera (zoals Petre Roman, zoon van een stalinistische officier, schrijver en Spanjestrijder) konden in het buitenland studeren en kijken wat er elders in de wereld aan de hand was. Het is daarom de vraag welke ministers straks in Stolojans kabinet zitting zullen nemen. De Roemeense oppositie, in hoofdzaak geconcentreerd in de Liberale partij, de Nationale Boerenpartij en de partij van de Hongaarse minderheid, heeft de afgelopen jaren geen blijk gegeven over kader te beschikken dat het beleid van Roman en de zijnen zou kunnen voortzetten, en dan met wat meer overtuigingskracht en geloofwaardigheid vis à vis de getergde en ongeduldige arbeiders. En dat zal Stolojans taak worden.

De erfenis van het uitstapje van de mijnwerkers naar Boekarest is derhalve desastreus: de dubbele impasse zou, naar het zich op dit moment laat aanzien, de hervormingen wel eens kunnen vertragen en daarmee de pijn voor de bevolking verlengen. De verkeerde mensen zijn weggestuurd, het is nog maar de vraag wie van hen terugkeert. Er is een politieke impasse ontstaan. Stolojan zal Romans beleid moeten voortzetten; hij zal het, mijnwerkers of geen mijnwerkers, niet matigen. Wellicht zal hij het zelfs radicaliseren. Afgelopen lente stapte Stolojan als minister van financiën op omdat hij de prijsliberalisering, bij uitstek de maatregel waartegen de mijnwerkers te hoop zijn gelopen, niet radicaal genoeg vond. Dat belooft weinig goeds voor de toekomst: de mijnwerkers zouden wel eens sneller weer in Boekarest kunnen opduiken dan het bewind lief is.

Het is de prijs die Roemenië, ook anderhalf jaar na de revolutie, betaalt voor Ceausescu's kaalslag, voor het isolement van het verleden, voor het onder Ceausescu ontstane gebrek aan politiek inzicht en politieke cultuur van zowel de regeerders als de arbeidersklasse. Roemenië lijkt een periode van economische en vooral sociale chaos tegemoet te gaan, een periode die wel eens zou kunnen uitlopen op een nieuwe dictatuur, al dan niet van militaire aard.

Het merkwaardigste bij dit alles is wellicht nog dat de mijnwerkers wel Roman en zijn team hebben weggestuurd, maar president Ion Iliescu hebben laten zitten. Het vertrek van de president, bij uitstek de man die het voortbestaan van een krachtige neo-communistische stroming belichaamt, had uiteindelijk het enige positieve kantje van het hele drama kunnen zijn. Maar uitgerekend hem lieten ze zitten, overtuigd door zijn beloften en toezeggingen. Het maakt het treurspel van vorige week er alleen maar naargeestiger van.

    • Peter Michielsen