Kastenoorlog rondom standbeeld van Mahatma Gandhi; Tientallen doden bij kastenoorlog op Indiase platteland

CHUNDURU, 2 OKT. Chunduru is een dorp met 8.000 zielen aan de spoorlijn tussen Vijayawada en Madras, iets landinwaarts vanaf de oostkust van de Indische Oceaan. Het is verbonden met Tenali, de volgende stad, door een hobbelige en niet-geasfalteerde weg, die dwars door de groene rijstvelden loopt. Net als de andere dorpen in de Zuidindiase deelstaat Andhra Pradesh wordt Chunduru gedomineerd door de hogere kaste, de Reddy's.

Er wonen 3.500 Reddy's in Chunduru en 2.000 Maala's (onaanraakbaren of Harijans) die voor het merendeel christen zijn geworden. Chunduru heeft nu behalve een hindoe-tempel ook een kerk. Het dorp ziet er redelijk welvarend uit, met twee scholen, een keurig politiebureau, een bioscoopzaal en een klein ziekenhuis met één dokter. Er is elektriciteit en een bron voedt de waterkranen. Het dorp bestaat uit twee delen: Maalapalli, waar de Maala's wonen en The Village, de locatie van de Reddy's.

De twee gedeelten zijn duidelijk gescheiden door een weg die zeven meter breed is. Twee standbeelden, van Mahatma Gandhi en van Ambedkar, een politicus uit de rijen van de onaanraakbaren, vormen de grens.

Chunduru ligt in het vruchtbare rijstdal van het stroomgebied van de rivier de Krishna. De meeste dorpelingen zijn voor hun dagelijks onderhoud afhankelijk van de landbouw. Het land is eigendom van de Reddy's, de meeste Harijans zijn landarbeiders. Ongeveer 500 van de onaanraakbaren hebben zich opgewerkt tot pachtboer en betalen jaarlijks een vast bedrag aan de Reddy-landheren.

Honderd jaar geleden waren de meeste Harijans landloze boeren die leefden van hun verdiensten tijdens de oogsttijd. De christelijke kerk hielp hen door de verschaffing van primaire gezondheidszorg en onderwijs, waarmee ze een gevoel van eigenwaarde kregen. De onderwijzers leerden de Harijans kleine hoeveelheden geld opzij te leggen, waardoor zij land konden pachten.

Ravi, een jonge Harijan, ging onlangs naar de bioscoop om de film Alajadi (Woede) te zien. Hij kocht een kaartje in het duurdere gedeelte van de zaal, net als Kurru, een jongen die tot de Reddy-kaste behoort en naaste familie is van de sarpanch, het dorpshoofd.

Toen de film begon voelde Kurru plotseling een voet in zijn rug. Hij keek achterom en zag dat Ravi de boosdoener was. Ravi verontschuldigde zich uitputtend, maar Kurru was in alle staten. Dat een Harijan-jongen de brutaliteit had om in een dure stoel te gaan zitten, in een "onbeleefde houding' zat, en - het allerergste - hem durfde aan te raken.

Kurru stond op, sloeg Ravi in elkaar en verliet de zaal. De volgende dag werd de vader van Ravi, de onderwijzer Govathoti, ontboden in het huis van het dorpshoofd, waar hij werd afgeranseld.

Vrienden adviseerden Govathoti een klacht in te dienen bij het plaatselijke politiebureau. Hij weigerde en zei dat de zaak te onbelangrijk was.

Eerst werd een sociale en economische boycot afgekondigd. De Reddy-vrouwen mochten niet meer praten met de Maala-vrouwen, kinderen mochten niet meer met elkaar spelen en de leden van de tussenkasten - timmerlieden, kappers en pottenbakkers - werd gevraagd niet langer te werken voor de Harijans. De landarbeiders kregen geen werk meer en waren gedwongen naar naburige dorpen te trekken.

De meeste pachtboeren werden hier niet door getroffen en daarom besloten de Reddy's nog verder te gaan, waarvoor ze medewerking kregen van op één na alle plaatselijke politiemensen. Volgens verklaringen van de Harijans kwamen enkele politiemannen hierop naar Maalapalli, waar ze schreeuwden dat de Reddy's dreigden met een aanval. De mannen wilden vluchten maar zagen dat de weg was geblokkeerd door bewapende Reddy's en andere hogere kasteleden. Toen de Harijans probeerden te ontsnappen over de spoorweg, stond ook daar een menigte van 500 man met speren en zwaarden.

Sommige Harijans slaagden erin te ontsnappen, anderen werden geslagen, verminkt, met speren doorboord. Hun lichamen werden in jute zakken geschoven en in het Tungabhadra-kanaal geworpen. Enkelen die erin geslaagd waren te ontsnappen naar de velden, werden opgejaagd, gevangen genomen en doodgeknuppeld. De slachting duurde tot 3 uur 's nachts. Tegen die tijd waren er ten minste 21 mannen dood en vele tientallen gewond.

Na het bloedbad ontvluchtte de gehele Harijan-bevolking het dorp. De meesten gingen naar Tenali, de eerstvolgende stad op een afstand van twaalf kilometer. Hier zochten zij onderdak in een kerk van het Leger des Heils.

Toen het nieuws in de regio bekend werd, verzamelden duizenden Harijans uit naburige dorpen zich en marcheerden naar Chunduru. De Reddy's vluchtten op hun beurt voor de overmacht van Harijans de velden in. Hun huizen werden aangevallen, één bejaarde Reddy werd gedood.

Acht gedode Harijans werden begraven aan de dorpsweg, dichtbij de standbeelden van Gandhi en Ambedkar, de twee politici die zich meer dan wie ook hebben ingezet voor de sociale bevrijding van de uitgestotenen van de hindoe-kasten. Het sociale kwaad van het kastenstelsel moet worden uitgeroeid, zei Gandhi in de jaren veertig. In de Indiase grondwet is van de "onaanraakbaarheid' een misdaad gemaakt. Op sommige misdrijven die voortvloeien uit het kastenstelsel staat de doodstraf.

Maar in het gecompliceerde sociale landschap van de 500.000 dorpen van India blijft de sociale distantie die vaak gepaard gaat met economische uitbuiting, het fundamentele patroon van de verhoudingen. Zodra het economische of het sociale aspect van deze verhouding aan de kaak wordt gesteld, hebben de hogere kasten de neiging heftig te reageren teneinde de traditionele hiërarchie te beschermen.

    • Bernard Imhasly