"Hitler kon me mijn vaderland niet afnemen'

Ze heet Hildegard Müller. Aan haar naam lag het niet. Wie er niet van op de hoogte was, wist niet dat ze joods was. Toen in 1941 de deportatie van joden uit Berlijn op gang kwam, hoefde ze aanvankelijk alleen maar de religie op haar persoonsbewijs te veranderen.

Later was dat niet voldoende. In 1943 dook Hildegard Müller onder; alleen in dat jaar al verbleef ze op elf verschillende onderduikadressen. Als een van de zeer weinige joodse inwoners van Berlijn overleefde ze de oorlog in Berlijn zelf. “Mijn naam, mijn brutaliteit en de moed van mijn niet-joodse vrienden hebben mij in leven gehouden”, zegt ze.

Hulp voor haar familieleden kwam soms uit onverwachte hoek. Zo bood de buurman van het gezin, actief lid van de Gestapo, de Müllers aan om tijdens luchtalarm van zijn schuilkelder gebruik te maken, iets wat joden niet was toegestaan.

Na de oorlog bleek dat drieëntwintig van haar familieden waren omgekomen. Ze dacht erover met haar man naar Bogotá te emigreren. “Maar ik verwachtte destijds een kind en ze wilden daar geen zwangere vrouwen hebben.” Bovendien - ze zal zich weliswaar nooit Duitse noemen - heeft ze zich in Berlijn altijd thuis gevoeld. “Hier ben ik geboren, dit is mijn stad.”

De laatste tijd komen alle oorlogsherinneringen weer boven. Ze is daarbij bang dat de geschiedenis zich herhaalt. “Maar niemand gelooft me als ik zoiets zeg. Toch kan iedereen met eigen ogen zien dat het neo-nazisme en de haat tegenover buitenlanders steeds verder toenemen. Hitler had in het begin ook maar weinig volgelingen.” Jongeren laten zich volgens haar manipuleren door mensen die tijdens het Derde Rijk al fout waren en nadien nooit van mening zijn veranderd. “Het probleem is: oude nazi's worden helaas veel te oud.”

De geschiedenis van de joodse gemeenschap in Berlijn is op drie jaar na net zo oud als die van Berlijn zelf. Het oudste bestaande document waarin van het bestaan van Berlijn wordt gesproken dateert uit 1244, in een akte van drie jaar later is sprake van "jodenverbrandingen'. De vervolgingen zouden met tussenpozen zeven eeuwen lang aanhouden; toch vestigden zich hoe langer hoe meer joden in Berlijn. In 1928 waren het er 172.700. In 1932 telde de stad 354 joodse verenigingen en organisaties, alsmede vijftig synagoges waarvan er tijdens de Kristallnacht op 9 november 1938 veertig in brand werden gestoken.

In de jaren dertig emigreerden ongeveer honderdduizend Berlijnse joden, vooral naar Brazilië, Argentinië en de Verenigde Staten, maar ook naar Groot-Brittannië en Nederland. Zestigduizend joodse Berlijners kwamen in de concentratiekampen om het leven. Ongeveer duizend joden overleefden in Berlijn zelf de oorlog, omdat ze gemengd waren gehuwd. Vierduizend joden doken onder in het hol van de leeuw, van wie er drie à vierhonderd de oorlog overleefden.

Al op 11 mei mei 1945 werd de eerste synagogedienst gehouden, waaraan achthonderd mensen deelnamen. Berlijn fungeerde als verzamelpunt voor de overlevenden uit de kampen. Ook verbleven veel Oosteuropese joden - op weg naar andere landen - tijdelijk in Berlijn. Van deze groepen emigreerde uiteindelijk negentig procent. Vijfduizend mensen bleven achter, voornamelijk bejaarden.

Dat de joodse gemeente in Berlijn ook na de oorlog is blijven bestaan, is mede de verdienste van Heinz Galinski. Deze nu 78-jarige voorzitter van de joodse gemeente in Berlijn en van de Nationale Raad der Joden in Duitsland, overlevende van drie concentratiekampen waaronder Auschwitz, besloot na de oorlog alles in het werk te stellen om de joodse gemeente in Berlijn weer op te bouwen en deze niet op te heffen, zoals in andere Duitse steden het geval was. Sinds vier decennia is Galinski het gezicht van joods Duitsland. Geen beslissing kan worden genomen zonder zijn goedkeuring. “Keizers hebben geen vervangers”, aldus een anonieme bron.

Onder druk van internationale joodse organisaties die een hernieuwde joodse gemeenschap in Duitsland als catastrofaal beschouwden, gaven de Duitse joden er de voorkeur aan hun religieuze of culturele verschillen opzij te zetten en zich te organiseren in zogenaamde "eenheidsgemeentes'. Die hielden zich na de oorlog vooral bezig met het documenteren van de holocaust, het bijwonen van processen tegen oorlogsmisdadigers en het opkomen voor rechten van oorlogsslachtoffers.

Na de desastreuze bijna-vernietiging is de joodse gemeenschap in Berlijn definitief overeind gekrabbeld. Joods Berlijn beschikt nu onder meer over vier grote en een handvol kleine synagoges, een chrèche, een basisschool, een ziekenhuis, een verpleegtehuis, twee bejaardencentra, een volksuniversiteit en een café.

Hildegard Finger-Müller woont nu in het joodse Jeanette Wolff bejaardencentrum. De wachtlijst voor een kamer daar wordt ieder jaar langer. Dat heeft niet alleen te maken met de komst van grote aantallen Sovjet-joden, maar ook met het verschijnsel dat velen die de oorlog in ballingschap overleefden op latere leeftijd heimwee krijgen en besluiten naar Duitsland terug te keren.

Een van hen is de 82-jarige Bertha Flatauer. In de Kristallnacht werden haar huis en haar drogisterij geplunderd. “Al het porselein gooiden ze kapot, mijn boeken verscheurden ze.” In 1939 wist ze naar Brazilië te ontkomen. Daar zou ze veertig jaar lang wonen. Al die tijd had ze heimwee naar Duitsland maar haar man, van wie veertig familieleden door de nazi's waren vermoord, weigerde ooit nog een voet op Duitse bodem te zetten. Mevrouw Flatauer heeft geen kinderen. Bewust niet, “want ik wilde geen nieuwe joden op de wereld zetten, om ze te besparen wat ik heb meegemaakt”.

Toen haar man tien jaar geleden overleed, stond haar besluit vast: terugkeren naar Duitsland. “Ik dacht: ik heb velen verloren, maar Hitler kan me mijn vaderland niet afnemen.” Met hetzelfde halflege koffertje als waarmee ze veertig jaar eerder was gevlucht, keerde ze terug. “Ik had dat nooit van te voren verwacht, maar nu ik in Berlijn woon, voel ik me voor het eerst sinds de oorlog honderd procent gelukkig”, zegt ze.

Ze bezocht ook Israël. “Dat heeft veel indruk op me gemaakt, buitengewoon wat de mensen daar tot stand hebben gebracht.” Maar toch is ze blij in Berlijn te zijn. Ze kan niet anders, zegt ze. “Ik kan de Duitsers nooit vergeven wat ze me hebben aangedaan. Maar ik voel me nu eenmaal zelf veel te Duits. Helaas.” Foto Erik-Jan Ouwerkerk

    • Alfred van Cleef