Turnbond mist krachtige bestuurders

Het voortbestaan van het nationale turninstituut op Papendal staat ter discussie. De regiobestuurders van de gymnastiekbond (KNGB) hebben stelling genomen tegen de plannen van het sectiebestuur wedstrijdsport. Handhaving van de (individuele) disciplines, turnen en ritmische sportgymnastiek, op topniveau vereisen verstrekkende financiële prioriteiten. De landelijke bestuurders kozen voor behoud van de top-turnvriendelijke infrastructuur. Maar de prijs daarvoor vonden de regiobestuurders te hoog. De regionale trainingssteunpunten, enkele jaren geleden in het leven geroepen om opgeleid talent af te leveren aan Papendal, zouden worden gekort op het budget.

Het huidige probleem is niet nieuw. Met de aanstelling van de eerste full-time bondscoach in 1971 werd de top gecentraliseerd en groeide het gat tussen het nationale team en de clubs. De vrouwenploeg verraste evenwel bij de Olympische Spelen in München (1972) met een negende plaats. Ans van Gerwen werd als beste Westeuropese zelfs gekozen tot Nederlands sportvrouw van het jaar. De KNGB toonde een mooie etalage en de kritiek uit het land verstomde. De succesrijke bondscoach Eva Bartha kreeg in de aanloop naar de Spelen van Montreal (1976) zelfs de steun om de selectie de hele week op Papendal te houden en er ontstond een semi-turninternaat.

Inmiddels kreeg de jeugdopleiding geen aandacht meer. Het hele budget ging naar de Olympische ploeg. De gevolgen bleven niet uit. Wie niet blijvend in de toekomst investeert, heeft geen perspectief. Drie keer op rij miste Nederland de Olympische kwalificatie. Twee ontwikkelingen hebben daartoe bijgedragen: De externe factor was de enorme internationale groei vanaf 1976. Roemenië lanceerde het "wonder' Nadia Comaneci, dat een scala van acrobatiek toonde. In die tijd werd dat voor onmogelijk gehouden. De Nederlandse Elvira Becks levert nu in absolute zin betere prestaties. Ze werd onlangs 27ste bij de WK meerkamp. Maar tussen Becks en Comaneci zit een tijdsspanne van vijftien jaar. Comaneci luidde een nieuw tijdperk in en het vaderlandse turnen verloor de aansluiting met de wereld-subtop geheel.

Ten tweede hebben de bestuurders zich, tot 1989, nooit sterk gemaakt voor een goede technische onderbouwing van de instroom op Papendal. Iedere bondscoach na Bartha riep steeds dat aansluiting met de internationale top slechts mogelijk is als talenten de "fundamentals' op jeugdige leeftijd in de clubs of regio worden aangeleerd. Elk initiatief van de bondstrainers daartoe sneuvelde. De bond voerde geen consistent beleid om de kloof tussen clubs en Papendal te overbruggen en het aanvangsniveau op het turninstituut te verhogen.

Intussen verbeterde wel de infrastructuur op Papendal. De schoolprogramma's op het Arnhemse lyceum werden aangepast, zodat er twee maal daags trainingen mogelijk werden. De maatschappelijke en medische begeleiding werd beter, de trainingshal werd uitgebreid. Kortom, in de ogen van de clubs werd de geselecteerde top verregaand in de watten gelegd. Toch begon de bond twee jaar geleden, met steun van het rijk, aan de ontwikkeling van regionale steunpunten. Dit project had een grote impact. In het eindstadium van het project zouden zes regionale trainingscentra ingericht zijn voor een adequate opleiding van jeugdige talenten.