Tan als speelse kat achter het klavier

Concert: Radio Kamerorkest o.l.v. Arnold Östman m.m.v. Melvyn Tan, piano. Programma: L. Spohr: Ouverture Jessonda; F. Mendelssohn: Eerste pianoconcert; C.M. von Weber: Concert-Stück; L. van Beethoven: Achtste symfonie. Gehoord: 28-9 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz.: 30-9 20.02 uur Vara Radio 4.

Tranen welden op in zijn ogen, toen pianist Melvyn Tan zaterdag de podiumtrap van het Amsterdamse Concertgebouw besteeg, na een vervoerende uitvoering in de Vara-matinee van Mendelssohns Eerste pianoconcert. Dát is de ware romanticus: de pianist die zich dankbaar laat meeslepen door de muziek van de componist en zelf daardoor de hoogste toppen van uitvoeringskunst bereikt. Het opmerkelijke bij Tan is dat hij de zo moeilijk te verenigen vrijheid en impulsiviteit van de romantiek en de strenge, virtuoze perfectie die Mendelssohn ook vraagt - en die na de pauze nog meer vereist was in Webers Concert-Stück - niet alleen vanzelfsprekend combineert maar intussen daarmee ook een meerwaarde bereikt.

De briljante uitvoeringen van Mendelssohn en Weber, nog gevolgd door Schumanns Träumerei als toegift, zijn vanavond op de radio te beluisteren maar kunnen niet meer zijn dan een afschaduwing van wat Tan zijn toehoorders ook visueel liet meebeleven door zijn fascinerende fysieke aanwezigheid. Als een tot het uiterste gespannen maar toch in wezen speelse kat zat hij daar voorovergebogen ver achter het klavier en speelde met de toetsen alsof hij op de muizenjacht was. En na zijn parelende frases kon hij met de linkerarm - en soms met beide armen tegelijk - zeer brede, ballet-achtige langzame gebaren maken, een welkome aanvulling op de kleine en zakelijke gestiek van dirigent Arnold Östman.

Tan speelde op een piano van Carl Löhner (omstreeks 1840), die in de vorm van het meubel nog steeds herinnert aan het klavecimbel. Het instrument werd gerestaureerd door Frits Janmaat en bezit naast een bevredigender volume dan vele fortepiano's een milde maar toch heldere klank en een perfect werkend mechaniek. Het stelde Melvyn Tan in staat tot zijn snelle spitse spel maar ook - in Mendelssohn - tot een bewelmend prachtig Andante, door Östman en het Radio Kamerorkest begeleid met een nauw waarneembare ruisende suizeling.

De présence van Anold Östman, de dirigent van het Zweedse nog in authentieke staat verkerende Drottningholmtheater, was dan wel heel bescheiden, maar dank zij hem onderging niet alleen de muziek een gedaanteverandering, maar ook het Radio Kamerorkest, dat nu onder de artistieke leiding staat van Frans Brüggen. Zijn prettige onnadrukkelijkheid neigt soms wel naar het terloopse, maar is wel heel doordacht.

Het klankwereld van Östman bij dit orkest is, vooral bij de blazers, minder kleurrijk dan die van Brüggen, zijn ritmiek en accentuering missen dat uitdagend dwarse van Norrington. Östmans eigenzinnige uitvoering van Beethovens Achtste symfonie (1812) bezat diezelfde luchtige frisse spitsheid die Melvyn Tan liet horen. Zonder zwarig volume, zonder opgelegde diepzinnigheid dirigeerde Östman, met beheerste contrasten en een dansant vrolijke en capricieuze uitstraling. Deze Beethoven leek wel Rossini!