Pre-Gouden Kalf uitgereikt aan negentigjarige actrice Lily Bouwmeester; "Mobilisatiefilm' na halve eeuw bekroond

Toevallig op de avond van haar negentigste verjaardag werd Lily Bouwmeester zaterdag bekroond als beste actrice uit de vooroorlogse Nederlandse speelfilm. In aansluiting op de Nederlandse Filmdagen belegde het Nederlands Filmmuseum, ter viering van de heropening van het Vondelparkpaviljoen, de Avond van het Pre-Gouden Kalf, een eenmalig evenement om de aandacht te vragen voor de kwaliteiten van de vroege Nederlandse film. Een jury, bestaande uit mr. Piet Meerburg, Ger Thijs, Willeke van Ammelrooy, Hans de Wolf en Erik van Zuylen worstelde zich door een door het Nederlands Filmmuseum gemaakte voorselectie heen van Nederlandse films uit de periode tot en met 1940.

De jury kwam tot verrassende conclusies, bij voorbeeld de weerlegging van de mythe dat in Nederland altijd interessanter documentaires dan speelfilms gemaakt zijn. Hoewel deze jury meer plezier had beleefd aan het bekijken van de speelfilms, kostte het weinig moeite te komen tot de verkiezing tot beste documentaire van Stalen knuisten, door de onder invloed van de Russische filmkunst staande cameraman Jo de Haas in 1930 voor Polygoon geregisseerd in opdracht van de Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkers Bond. De prijs voor de onlangs gerestaureerde film, waarvan dit jaar weer nieuwe nitraatscènes gevonden zijn in de archieven van het Filmmuseum, werd in ontvangst genomen door een dochter van de in 1963 overleden regisseur, een oudere broer van de eveneens avantgardistische filmmaker Max de Haas.

Ook de regisseur van de beste speelfilm, Ergens in Nederland uit 1940, leeft niet meer. Dr. Ludwig Berger (1892-1969) maakte enkele van de beste Nederlandse speelfilms van de jaren dertig, Pygmalion (1937) en de mobilisatiekomedie Ergens in Nederland, die een maand voor de Duitse inval zijn première beleefde. Beide films hadden de virtuoze toneelactrice Lily Bouwmeester in de hoofdrol, volgens de jury een van de meest tastbare resultaten van de langzame groei van de vakbekwaamheid in "Hollandsch Hollywood". Ook een van haar tegenspelers in de laatste vooroorlogse speelfilm, de later als schrijver bekend geworden Jan de Hartog, kreeg een Pre-Gouden Kalf, voor het naturel van zijn spel als een advocaat die liever matroos wordt. Zo kwamen alle drie de speelfilmprijzen bij dezelfde film terecht, en niet bij de alom als toppunt van de Nederlandse filmkunst van de jaren dertig beschouwde Komedie om Geld van Max Ophüls of de niet door toneelmaniertjes ontsierde prestaties van de dit jaar overleden Rini Otte, vooral in de frisse, op Texel opgenomen home movie Jonge harten van Charles Huguenot van der Linden en H.M. Josephson. De jury was weliswaar gefrappeerd door de sensualiteit van de acteurs, onder wie Linda van Dycks vader Leo de Hartogh (“een kruising tussen Johnny Weissmuller en Thom Hoffman"), maar haakte af als die mooie lijven gaan spreken: “Wat een studentikoze prietpraat als de pijp uit de mond wordt genomen!”.

De hele uitreiking van de Pre-Gouden Kalveren, door ontwerper Crisow Schulz geconcipieerd als de moeder van het Gouden Kalf en vormgegeven als een liggende koe op een platform, was misschien niet meer dan een aardigheidje om de discussie over oude Nederlandse films eens op gang te brengen. Maar de uitreiking kreeg een emotionele lading door de aanwezigheid in persoon van de dochter van Rudi Meyer, verantwoordelijk voor Ergens in Nederland en de belangrijkste Nederlandse filmproducent tussen 1935 en 1940 en in de periode 1945-1960, maar vooral door die van Lily Bouwmeester.

Na de oorlog heeft ze nooit meer een film gemaakt en sinds 1969 trad ze nooit meer op in het openbaar, totdat het Filmmuseum haar in een verzorgingshuis te Sliedrecht opspoorde. Met dezelfde grote vragende ogen van Liesje Doeluttel in Pygmalion nam ze de staande ovatie van het publiek in ontvangst en ontfermde zich over de voor haar aangedragen verjaardagstaart. Toen ze even later verzocht werd de prijs voor de in Amerika verblijvende Jan de Hartog in ontvangst te nemen, weigerde ze dit: “Hij heeft me gebeld en aangekondigd bij me langs te komen om die prijs af te halen. Maar ik wil dat helemaal niet, laat hij maar hier naar toe komen om hem zelf aan te pakken”.

Als een Filmmuseum op zo'n manier de Nederlandse filmhistorie tot leven kan wekken, dan belooft het heropende Vondelparkpaviljoen nog heel wat enerverende evenementen. Het was in ieder geval een meer inspirerende avond dan de lauwe bijeenkomst de volgende dag, waar schrijvers hun favoriete filmfragmenten presenteerden. J. Bernlef hield een goed verhaal over zijn bewondering voor John Cassavetes, verluchtigd door een fragment uit Husbands. Maar de ironie in het verhaal dat Ethel Portnoy oplas over hoe het zien van Jean Cocteau's Le sang d'un poète haar naar Europa lokte, wil dat ze de film mede afzette tegen een doorsnee Franse produktie als Ballerina. Niemand van de aanwezigen realiseerde zich dat dat de laatste regie was van dr. Ludwig Berger.