PLO zegt "ja' en doet alsof het "ja maar' is

ALGIERS, 30 SEPT. Het parlement van de PLO, de Palestijnse Nationale Raad, heeft zaterdagochtend vroeg in principe "ja' gezegd tegen de Israelisch-Arabische vredesconferentie. Maar het parlement doet - om de Palestijnse publieke opinie te ontzien - alsof het een "ja, maar' is en alsof de beslissing in feite nog niet is genomen.

Om dat doel te bereiken, nam de Palestijnse Nationale Raad met 256 stemmen voor, 68 tegen en 12 onthoudingen een uiterst ingewikkelde resolutie aan met 6 doelstellingen die door de PLO moeten worden nagestreefd en met zes "principes', die - al naar behoefte - voorwaarden kunnen worden genoemd. De Palestijnse Centrale Raad, een controlerend orgaan van circa 90 personen dat als mini-parlement fungeert tussen de Palestijnse Nationale Raad en het Uitvoerend Comité (het dagelijks Bestuur), krijgt als opdracht het resultaat van de onderhandelingen over de "principes' te beoordelen.

Er heerste hier zaterdag weinig twijfel dat ook de Centrale Raad - die, net zoals de Nationale Raad, Arafat volledig toegewijd is - tot een positieve beoordeling komt. Dat bleek uit het stemgedrag van het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina (DFLP) van Nayef Hawatmeh. Begin vorige week had Hawatmeh “nee, nee, nee tegen de Amerikaans-Israelische formule” geroepen en deze als “een komplot en een zelfmoordoperatie” betiteld. Maar aan het eind van de week stemde zijn groep voor indirecte deelname aan de vredesconferentie “om de eenheid in de Palestijnse gelederen te bewaren”.

Na afloop van de bijeenkomst van de Nationale Raad, die vijf slopende dagen en nachten heeft geduurd, ontweek Yasser Arafat de vraag of bevriezing van de Israelische nederzettingen-politiek in de bezette gebieden een keiharde voorwaarde vooraf is voor de vredesconferentie, zoals de resolutie leek te stellen. “We vragen niet het onmogelijke. We vragen alleen maar om datgene toe te passen wat Bush, Baker en Scowcroft hebben verklaard, namelijk dat de nederzettingen illegaal zijn.” Arafat vond het stellen van de vraag “unfair”.

De zes genoemde doelstellingen zijn: 1. Zelfbeschikking voor het Palestijnse volk. 2. De totale ontruiming door Israel van alle bezette gebieden, inclusief Jerusalem. 3. Terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen naar hun vroegere haardsteden in Israel ("het recht op terugkeer') dan wel schadeloosstelling voor hun verloren bezittingen. 4. De soevereiniteit van het Palestijnse volk over zijn land, water en natuurlijke hulpbronnen en over zijn politieke en economische omstandigheden, ook tijdens interim-regelingen. 5. Internationale bescherming voor het Palestijnse volk als voorbode van het Palestijnse recht op zelfbeschikking. 6. Volledige garanties voor de verwijdering van alle Israelische nederzettingen in de bezette gebieden.

De belangrijkste "principes' of "uitgangspunten' zijn: dat Israel een eind maakt aan zijn nederzettingen-politiek “als een onontkoombare noodzaak om het vredesproces te beginnen”; en dat de PLO “de Palestijnse delegatie van buiten en binnen het moederland, inclusief Jerusalem” moet formeren. Die delegatie dient “op gelijke voet” aan de vredesbesprekingen deel te nemen en zich voor instructies tot de PLO te wenden.

Over de formulering van deze "principes' heeft men de afgelopen dagen eindeloos geruzied. Weliswaar stond het eindresultaat van de discussies al van te voren vast, omdat Arafat een groot deel van de parlementariërs benoemt en volgens goed ingelichte zegslieden reeds afgelopen maandag aan de Amerikaanse regering had laten weten dat de PLO bereid is alles te doen om aan de vredesbesprekingen deel te nemen. Maar het democratische karakter van de Nationale Raad moest ditmaal meer dan ooit worden onderstreept, omdat de te nemen beslissing zo precair was en omdat Arafat de verantwoordelijkheid ervoor per se niet alleen wilde dragen.

Een Palestijnse journalist vergeleek de gevolgde procedure met de manier, waarop een arts zijn doodzieke patiënt uiterst behoedzaam over zijn ziekte inlicht. “Dat gebeurt altijd in stadia. Bij het eerste bezoek vertelt hij hem dat hij ziek is, bij het tweede bezoek dat zijn situatie ernstig is, en bij het derde bezoek dat zijn situatie hopeloos is. We zijn nu bij fase één beland.”

Deze vergelijking toont hoe de gevoelens waren. De meerderheid van de Palestijnse parlementariërs had de grootste moeite om de huidige politieke realiteiten in een even realistisch actieprogramma te vertalen. Zelfs vele gedelegeerden van Arafats groepering Al-Fatah waren bepaald niet enthousiast over de door hen zelf geaccepteerde vredeskoers.

Vandaar, dat Arafat en zijn vertrouwelingen hun uiterste best deden om de Palestijnse situatie zo positief mogelijk af te schilderen. Arafat zelf sprak enthousiast over “het moedige standpunt” van president Bush. Hij vertelde de afgevaardigden dat hij van de koning van Marokko een boodschap had ontvangen, waarin deze vertelde met president Bush te hebben gesproken die hem had meegedeeld “dat de Verenigde Staten vrede en veiligheid willen op basis van de resoluties van de Verenigde Naties en met erkenning van de legitieme, politieke rechten van het Palestijnse volk (..) Voor de eerste maal sprak president Bush vandaag niet alleen over de VN-resoluties, maar ook over het Palestijnse volk”, aldus Arafat.

Zijn invloedrijke raadgever Nabil Sha'ath legde in een analyse van de Amerikaanse houding uit dat de Verenigde Staten voor het eerst sinds tientallen jaren werkelijk vrede in het Midden-Oosten willen omdat twee van hun belangrijkste doelen vervuld zijn: zij hebben de Koude Oorlog gewonnen en zij hebben voor het eerst directe, militaire toegang tot de olievelden in de Golf. Daardoor is de staat Israel nu veel minder relevant geworden als plaatselijke zaakwaarnemer van de Amerikaanse belangen. “De Verenigde Staten streven naar stabiliteit in het Midden-Oosten en om die reden naar vrede. Zij beseffen dat zij voor die stabiliteit en die vrede ook de Palestijnen nodig hebben.”

Uit alles blijkt dat de PLO-leiding inderdaad van mening is dat zij met de Verenigde Staten moet meespelen, wat ook thans de condities van president Bush mogen zijn, terwijl de achterban de grootste moeite heeft die ommezwaai te slikken. Het was opmerkelijk hoe weinig belang Nabil Sha'ath aan de Israel-lobby in de Verenigde Staten schonk. “Die lobby is altijd zwaar overschat en alleen belangrijk gemaakt, omdat zij de nationale doelen van de Amerikaanse regering vertolkte. Maar nu zij dat niet meer doet, blijkt dat de regering in Washington, en niet de joodse lobby, de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten bepaalt.”

Amerika is dus niet langer de vijand voor de PLO, mede omdat de Arabische staten, waarop de PLO voorheen bouwde (achtereenvolgens Syrië, Egypte en Irak) als beschermers zijn weggevallen. Hoe geïsoleerd de PLO is in de Arabische wereld, bleek tijdens de zitting van de Nationale Raad, die door alle Egyptische media, met uitzondering van een weekblad, werd geboycot. Volgens Said Kamal, de PLO-ambassadeur in Kairo, hadden Egypte en de PLO afgesproken om de Egyptische journalisten van de zitting te weren “om niemand in de gelegenheid te stellen de onderlinge relaties te verstoren”.

De leiders van de PLO realiseren zich dat zij de door president Bush bestuurde trein niet mogen missen omdat anders de Verenigde Staten, samen met de Arabische staten en Israel, alle beslissingen buiten hen om op de vredesconferentie zullen nemen. De gedachte erachter is dat de PLO misschien het eindresultaat van de vredesconferentie ten gunste van de Palestijnen kan wijzigen als zij meedoet, maar dat zij nog verder van huis is “als zij niet buigt voor de storm”.

Vandaar dat Abul Abbas, die ook voor Saddam Hussein allerlei vuile karweitjes moest opknappen, geen lid meer is van het Uitvoerend Comité. In 1985 was zijn groep verantwoordelijk voor de kaping van het cruiseschip Achille Lauro en de moord op de (Amerikaanse) invalide Klinghofer. Vorig jaar plande zijn groep een terroristische actie bij Tel Aviv, reden voor de regering-Bush om haar dialoog met de PLO af te breken, nadat Arafat had geweigerd die actie te veroordelen en Abul Abbas uit het Uitvoerend Comité te stoten.

De veranderende machtsverhoudingen kregen zaterdag gestalte toen Arafat onder luid applaus van de afgevaardigden namens hen “eer bewees” aan Abul Abbas omdat deze vrijwillig afstand had gedaan van zijn zetel in het Uitvoerend Comité. Hij werd door zijn adjunct Ali Ishaq vervangen.

Enkele uren later deelde Arafat mee dat hij de hervatting verwacht van de dialoog met de Verenigde Staten. Uiteraard zweeg hij in dit verband over Abul Abbas. Hij stelde dat die hervatting van de dialoog logisch is, nu de Sovjet-Unie haar diplomatieke betrekkingen met Israel wil hervatten.