Onvrede over onbeheerste groei geen xenofobie

Het kost kennelijk moeite om een afwijzende houding jegens "de snelheid van de toename' van het aantal buitenlanders in een gemeenschap niet te verwarren met xenofobie. Ook minister d'Ancona had het vorige week in Luxemburg weer over “extreem-rechtse sentimenten” in haar verwijzing naar de gevoelens die in de Amsterdamse stadswijk Bos en Lommer bestaan over vooral deze onvoldoende beheerste groei.

Wie geen moeite heeft met (bijvoorbeeld) vijftien procent allochtonen met een sterk afwijkende culturele achtergrond in zijn directe omgeving maar wel met (veel) meer is niet zonder meer een vreemdelingenhater. De jaarlijkse toestroom van alleen al veertigduizend gezinsherenigers is meer dan hun nieuwe woonbuurten op een beetje leuke manier kunnen verwerken. Voordat men daar aan welke vorm en mate van hun integratie kan toekomen, zal toch eerst de groei van hun aantal tot inpasbare proporties moeten worden beperkt.

Minister d'Ancona vindt dat het minderhedenbeleid in Nederland wat betreft intentie en inzet deugt. Dat mag op het oog zo lijken maar wat betreft volume deugt het in het geheel niet. Dit prangt des te meer nu uit de recente discussie naar voren komt dat men het zelfs niet eens is over zoiets essentieels als het doel van dit beleid. Niet alleen over de gewenste mate van integratie maar zelfs over de inhoud van dat begrip zelf voert men een bittere discussie over de hoofden van de direct-betrokkenen.

Het automatisme van de gezinshereniging maakt een bewust en menswaardig toelatingsbeleid voor de werkelijk ernstige gevallen, de politieke vluchtelingen, veel lastiger. De haast en de onmatigheid bij het nastreven van de multiculturele en multi-etnische samenleving leiden in de concentratiegebieden tot het tegendeel van het beleden ideaal. De manier waarop de politiek zogeheten xenofobe (extreem-rechtse) gevoelens wil uitroeien, kan erger zijn dan de kwaal. Onbehagen kruipt waar het niet gaan kan.

De "ruimhartigheid' van het uitnodigingsbeleid van Dales en d'Ancona is een sigaar uit andermans doos. Het zijn de bewoners van bepaalde stadswijken, meestal niet de meest kansrijken, die belast zijn met de impliciete opdracht om steeds meer binnenkomers, met behoud van hun culturele identiteit (taal, geloof en gewoonten), daadwerkelijk in hun gemeenschap te integreren. Wat zich in die wijken nu voordoet, is een vorm van kolonialisme die gevoelens van verzet oproept. Niet alleen Turken en Marokkanen maar ook autochtone Nederlanders hebben behoefte aan behoud van culturele identiteit en van een zeker nestgevoel in de eigen woonomgeving.

Stadswijken met een laag percentage politici worden geofferd op het altaar van het multi-etnische ideaal, een restant van het maakbaarheidsgeloof. Deze woonbuurten verliezen hun tegelijk bindende en controlerende functie en dat is te merken. Er zijn genoeg voorbeelden in de wereld van de problemen die uit ontworteling van de samenleving voortkomen.

Door de hogere geboortecijfers en het vestigingsoverschot van allochtonen zullen op veel plaatsen de autochtonen (niet-allochtone Nederlanders noemt men ze ook wel) de minderheid gaan vormen, zonder ooit bewust voor die situatie te hebben gekozen maar gewoon door niet te verhuizen en af te wachten wat er met hun wijk gebeurt. Het is toch te gek dat ieder vertrek van een "wit' gezin uit zo'n wijk positief moet worden beoordeeld omdat het een verlies van een potentiële stem voor de partij van Janmaat betekent.

De waarde die gemeenschappen hechten aan het behoud van de herkenbaarheid van de eigen cultuur is universeel. De zorgen die zij zich maken over de sociale, maatschappelijke, economische en politieke consequenties van uit de hand lopende demografische ontwikkelingen kan men niet zonder meer als extreem-rechtse sentimenten en xenofobie terzijde schuiven en verder negeren.