Nederlanders namen tegenover Japan ergste vernederingen voor lief

De oorsprong van Japan is goddelijk. Dientengevolge is het Japanse volk naar beste eigen weten een zeer uitzonderlijk volk, uitzonderlijker dan alle andere. Het is een wetenschap die niet is doorgedrongen tot de niet-Japanner. Deze begrijpt dan ook niets van Japan. Erger nog! Anderen hebben er zacht gezegd moeite mee Japan te beschouwen als deugdzaam lid van de volkerengemeenschap.

Al in de zestiende eeuw gedroeg het destijds door bloedige feodale twisten verscheurde land zich zo kwalijk dat het pardoes uit de Chinese wereldorde werd gestoten. Ramp! China was tenslotte het Hemelse Rijk, de navel van macht, gezag en cultureel aanzien in Azië. Japan reageerde furieus door zich bij de eerste de beste gelegenheid op China's trouwe vazal, Korea te storten. Dat maakte de zaak alleen maar erger. Goddelijk Japan zag zich gereduceerd tot de status van paria.

Wat nu? Het duurde nog ettelijke decennia voordat het binnenland met dwang en list weer in het gareel was gebracht. Daarna kwam de verstoorde verhouding met het buitenland aan de beurt. Als de buitenwereld niets van Japan wilde weten, wilde Japan op zijn beurt niets van de buitenwereld weten. Omstreeks 1640 trok het land zich terug uit het geregelde internationale verkeer. Geen Japanner kwam er meer uit. Alleen een handjevol vreemdelingen kreeg nog toegang. Van een volledige afsluiting was intussen geen sprake. In de praktijk ging Japan nu op eigen houtje, op overigens volstrekt vreedzame wijze, zijn eigen wereldorde maken.

Deze wereldorde was zo petieterig en minuscuul dat de buitenwacht er eigenlijk pas via hedendaags Amerikaans en Japans historisch onderzoek weet van heeft gekregen. Maar dat betekent niet dat dit Japanse knutselwerk geen betekenis heeft. Integendeel! Waar het op neerkwam is dat Japan zich naar Chinees model uitriep tot centrale top van een besloten hiërarchisch wereldbestel. Daarvan maakte om te beginnen het geplaagde koninkrijk Korea, dat zijn grenzen ook al gesloten probeerde te houden, haast op voet van gelijkheid deel uit. Geregeld wisselde men met veel ceremonieel ambassadeurs uit. Het voornaamste blijk van de ondergeschiktheid der Koreanen bestond er uit dat zij zich te houden hadden aan de Japanse stijl van tijdrekening. Maar ja, als Koreaanse ambassadeurs naar China trokken moesten ze zich al evenzeer onderwerpen aan de Chinese chronologie. Onder Korea ressorteerden de Ryukyu-eilanden. Hun koningen genoten de eervolle status van vazal die met veel diplomatiek ritueel via via tribuut bracht en geschenken ontving. Weer een treedje lager op de trap stonden de Hollanders. Het opperhoofd in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie zetelde op Deshima. Hij was er feitelijk geïnterneerd. Maar eens in het jaar mocht hij de hofreis maken om geschenken te brengen en te halen. De tocht duurde weken en maanden. Over land, over zee, heen en weer zo'n kleine, moeizame vierduizend kilometer. Maar tijdens de reis was het opperhoofd een prins, een hertog, een graaf! Bukkend en buigend werd hem eer bewezen. Dan, helemaal onderaan, bungelden de onaanzienlijke Chinezen. Zij waren, net als de Hollanders, reglementair wel als kooplui toegelaten. Dat was alles. Het hof kregen ze niet te zien.

Zo was de Japanse wereldorde harmonisch want keurig hiërarchisch naar volle tevredenheid van de betrokkenen ingericht. Alleen de Hollanders hadden wat uit te leggen aan hun mede-Europeanen. Enkel uit vuig winstbejag namen ze de ergste vernederingen voor lief waarmee hun nazaten in de gevangenkampen van de twintigste eeuw (met alleen verlieskansen) zo'n moeite hadden. Kruipen bij de ontvangst ten paleize. Op bevel danspasjes maken, liederlijke liedjes zingen, potsen maken, trappen op het christelijke kruis, zonder tegenspraak het geringste bevel gehoorzamen. Wie praat ook al weer van eer, ethiek, moraal?

Het deed de Nederlandse reputatie geen goed in Europa. Wel in Japan. Door te gehoorzamen bewezen de Hollanders dat zij hun plaats kenden. Zodoende maakten ze deel uit van de Japanse harmonische orde. Zij zijn het waard tijdens de hofreis als rijksgroten behandeld te worden.

De kanonneerboten van de Amerikaanse schout-bij-nacht Perry doorbraken in 1853 de Japanse wereldorde. Het land opende zijn grenzen en ervoer dat onder het mom van de gelijkwaardigheid van soevereine naties de feitelijke internationale pikorde op heel andere normen en waarden berustte dan de zijne. Maar een wereldbeeld laat zich niet zo gemakkelijk aan flarden schieten. Juist in zijn daaropvolgende worsteling - méér wellicht nog met zichzelf dan met de anderen - om het behoud van de eigen identiteit en soevereiniteit, zocht Japan naar de herbevestiging van zijn superioriteit, zijn uitzonderlijke waarde, zijn bijzondere goddelijkheid. Het was - en is dat tot op zekere hoogte nog steeds - een krampachtig gevecht met zichzelf. Alleen wie geen oog heeft voor de grilligheid van de geschiedenis zal beweren dat dit wel van meet af aan moest uitlopen op het bekrompen nationalisme en het agressieve militarisme waarvan Japan in de eerste helft van onze eeuw zo rampzalig blijk gaf.

De Japanse volksaard deugt van nature al niet en is door de geschiedenis verder misvormd, heet het. Het Japanse imperialisme dat zich al omstreeks 1870 begon te roeren en voortdurend virulentere vormen aannam, leek dit te bevestigen. Het beste dat ervan te zeggen zou zijn, is dat Japan met zijn imperialistische krachtpatserij de Westerse mogendheden gewoontegetrouw en doelbewust imiteerde. Maar deze opvatting kan in het licht van de hedendaagse historiografie geen stand houden. Die legt juist de nadruk op de weifelachtigheid en aanhoudende onzekerheid die de gemoederen van de Japanse beleidsmakers temidden van een hun wezensvreemd wereldbestel beheersten.

Alles was mogelijk, niets onmogelijk. De geschiedenis liep zoals zij liep omdat acties en reacties van alle betrokkenen - China en de Westerse naties incluis - op onvoorspelbare wijze op elkaar inwerkten. Dat is een voorstelling van zaken die veel plausibeler is dan die welke eenvoudig alle schuld in de Japanse schoenen schuift. Dit houdt uiteraard niet de ontkenning in van Japanse schuld en verantwoordelijkheid. Maar dat neemt niet weg dat menig Japanner er diep en oprecht van overtuigd is dat zijn land - mogelijk misleid - de oorlog met de alleredelste bedoelingen heeft gevoerd. Wie als de goede grote broer binnen de geharmoniseerde Groot-Aziatische welzijnssfeer door zijn goddelijke superioriteit tot de leiding geroepen is, kan niet anders dan aanspraak maken op blinde gehoorzaamheid. Zeker van de Westerlingen die er niet thuis horen en dus als onzuivere elementen de juiste verhoudingen verstoren. Maak die goede grote broer nu eens diets dat hij enkel zorg heeft voor zijn grondstoffentoevoer. Laat staan dat hij daarover spijt moet betuigen en ereschulden moet erkennen.

Typisch Japans? Hypocriet? Ach kom. Jihad en kruistocht zijn toch ook heilige oorlogen? Vertel de ghazi en de kruisridder dat hij uit is op roof, verkrachting en plundering. Wanneer en waar slaat men elkaar trouwens niet met de edelste bedoelingen de schedel in, wie buit de ander niet om diens eigen bestwil uit?

Enige jaren geleden woonde ik in Japan een conferentie bij van Japanse en Nederlandse historici die het vroegere kolonialisme van hun landen bespraken. Men toonde ons een monument voor de gesneuvelde alumni van een bepaalde, zeer eerzame universiteit. Er stonden nog al wat namen van opgehangen oorlogsmisdadigers op. Desgevraagd noemde men hen ontwikkelingswerkers.

Maar het beeld is vertekend. Niet alle Japanners zijn zo Japans. Tijdens de conferentie kwamen we toch op meer overeenkomsten dan verschillen. Veel plezier verschafte ons het geleerde vertoog van een Japanse collega, die met fijnzinnige ironie korte metten maakte met de ceremoniële hokus pokus rond de keizerlijke kroonprins Hirohito die de kolonie Formosa in 1923 met een officieel bezoek vereerde. Hij liet heel nuchter zien dat het gewoon om de macht ging en dat al dat rituele gedoe van keizerlijke goddelijkheid pure humbug was. Verdraaid als het niet waar is: het had net zo goed een bezoek van kroonprinses Juliana aan Batavia kunnen zijn. Het zal voor het overige misschien toch nog wel tot Sint Juttemis duren voordat Japan in zijn ontwikkelingswerker de oorlogsmisdadiger zal kunnen zien.