Lessen van Lieftinck

Prof. dr. Piet Lieftinck, onze eerste minister van financiën na de oorlog, wordt tegenwoordig weer druk bestudeerd in Oost-Europa. Succesvolle historische voorbeelden zijn nuttig en dus komen financiële specialisten onder anderen terecht bij Lieftinck die in Nederland direct na de oorlog een geldzuivering doorvoerde, de dreigende inflatie beheerste en samen met president Holtrop van De Nederlandsche Bank ons land weer een solide gulden gaf.

De Duitse bezetters hadden veel te veel geld gedrukt zodat onze geldcirculatie was gestegen tot 11 miljard gulden, vier keer zoveel als in mei 1940. Een schatting van het nationale inkomen direct na de bevrijding was moeilijk te maken, maar Lieftinck baseerde zijn beleid op een getal dat iets lager was dan de feitelijke waarde in 1938. De geldcirculatie was dus vele malen te hoog voor de afgemeten omvang van de economie: een "monetary overhang' gelijk aan die in Rusland en andere Oosteuropese landen.

Er zijn twee manieren om af te rekenen met een monetary overhang. De regering kan alle bestaande banktegoeden bevriezen en daarna beslag leggen op geld dat onrechtmatig door zwarte handel of diefstal is verkregen. Daarna komt de staat met speciale leningen waarop de eerlijke burgers - soms met enige aandrang - kunnen inschrijven. (In Oost-Europa kan de staat ook geld aan de circulatie onttrekken door grond of gebouwen te verkopen). Tenzij de staat al het zo geleende geld onmiddellijk weer gebruikt voor het betalen van salarissen aan ambtenaren en het dus opnieuw in circulatie brengt, kan zo de monetary overhang verdwijnen. Dit was de route die Lieftinck koos in 1945, ik denk vooral omdat er politieke steun was voor confiscatie van oorlogswinsten. In Oost-Europa is de scheidslijn tussen goed en slecht veel moeilijker te trekken en had bijna iedereen met geld en bezit wel enigerlei band met de Communistische Partij. De staat mist, net als in bijvoorbeeld Brazilië, de macht en het discriminerend vermogen om oneerlijk verdiend geld in beslag te nemen. Gevolg is dat de economie dan automatisch de tweede weg kiest om de monetary overhang te elimineren: die van een hyperinflatie. Zo verging het Polen twee jaar geleden en lijdt Rusland op dit moment. De inflatie loopt op tot 100 procent per maand of nog hoger, alle besparingen verliezen hun waarde, en de Centrale Bank moet een nieuwe munt introduceren.

Soms is één zo'n geldhervorming voldoende; in andere gevallen zien we iedere twee of drie jaar een herhaling van de hyperinflatie en de introductie van een nieuwe munt. In Brazilië bijvoorbeeld mislukten vier geldhervormingen in successie en iedere keer werd het nieuw geïntroduceerde geld opnieuw waardeloos. Dreigt dat ook in Rusland? Oppervlakkig gezien lijkt het alsof succes bij het laaghouden van de inflatie vooral in gevaar komt wanneer vakbonden gaan staken voor hogere lonen. Wanneer regeringen in Rusland of Roemenië toegeven aan stakende mijnwerkers, worden de hogere lonen uitbetaald met nieuw gedrukt geld, dat dan weer een bijdrage is aan een nog hogere inflatie. Maar het kwaad is al geschied voordat de mijnwerkers gingen staken, ja het was de oorzaak van die staking. Een regering die faalt bij het sluitend maken van haar eigen begroting en die bovendien geen langlopende staatsleningen kan uitgeven omdat de burgers de kredietwaardigheid van de staat niet meer vertrouwen, moet wel haar toevlucht nemen tot het drukken van geld voor het betalen van ambtenarensalarissen en militaire uitgaven. Dat nieuwe geld komt in circulatie en drijft de prijzen op. De mijnwerkers zien de koopkracht van hun loon nog verder dalen, vrezen dat in de centrale bureaucratie niemand opkomt voor hun belang en gaan in staking voor een hoger loon.

Doorbreken van deze vicieuze cirkel vereist een gezond fiscaal beleid: dekking van de overheidsuitgaven door een combinatie van belastingen en langlopende leningen. De succesvolle inspanningen van Lieftinck om direkt na de oorlog het Nederlandse fiscale beleid in het juiste spoor te krijgen heeft hij boeiend beschreven in zijn boek uit 1973 The post-war financial rehabilitation of the Netherlands. Lieftinck wilde een ongeveer sluitende begroting voor de lopende uitgaven en reserveerde de opbrengst van speciale heffingen en grote leningen voor investeringen. Bovendien had Lieftinck nog een aparte derde rekening voor uitgaven en inkomsten die erg afhankelijk waren van condities in de wereldmarkt, zoals onze landbouwexport. Daar accepteerde hij tijdelijke tekorten en overschotten buiten zijn strikte norm voor soliditeit bij de lopende uitgaven. Zo subtiel en degelijk is het Nederlandse fiscale beleid de afgelopen twintig jaar nooit meer geweest! Lieftinck kwam rond met belastingen en langlopende leningen, dus zonder noemenswaardig beroep op de bankbiljettenpers. Derhalve kon dr. Holtrop bij De Nederlandsche Bank na de geldzuivering van 9 juli en 26 september 1945 de geldcirculatie uitbreiden in een tempo dat niet geforceerd werd opgelegd door zijn minister van financiën, maar dat goed paste bij herstel en groei van de economie. Tot december 1945 richtten De Nederlandsche Bank en het ministerie van financiën zich bij ontstentenis van betere statistieken op cijfers voor de arbeiderslonen om te berekenen hoe snel de geldcirculatie mocht stijgen; daarna schakelde de bank over op het stabiel houden van de verhouding tussen de geldcirculatie en het geschatte nationale inkomen. (Opnieuw een nuttige les voor Oost-Europa). De inflatie was niet hoger dan ongeveer 4 procent in die eerste naoorlogse jaren en de koopkracht van de lonen bleef vrijwel stabiel.

In Polen was de geldhervorming van december 1989 geruime tijd succesvol omdat de regering inderdaad haar uitgaven kon dekken met belastingen en lange schuld. De Poolse inflatie vorig jaar had veel meer te maken met het afschaffen van subsidies op laaggehouden prijzen voor energie en transport dan met een ontspoorde fiscale politiek. In een verrassend snel tempo herwon dan ook vorig jaar de Poolse zloty haar betekenis voor de Poolse economie. Vlak voor de geldhervorming van december 1989 bestond zeventig procent van de Poolse geldcirculatie uit dollars of D-marken; een paar maanden later was het belang van buitenlands geld al weer gedaald tot 30 à 40 procent. Rusland is naar ik vrees nog lang niet zo ver: moeilijke jaren zullen volgen voordat de overheidsfinanciën in Rusland enigermate op orde zijn. Pas dan is er kans op een stabiele nieuwe "roebel', want nergens ter wereld is er stabiel monetair beleid en lage inflatie zonder daarachter een stabiel fiscaal beleid dat geen overmatig beroep hoeft te doen op de bankbiljettenpers.

Lieftinck liet voldoende Engelstalige geschriften na, maar zijn dankbare landgenoten kunnen extra genieten van Nederlandstalige interviews. Als toegift is hier een laatste les van Lieftinck, uit De Tijd van 27 april 1984: “je ziet wel enige tendensen binnen de PvdA naar een nieuwe bezinning. Maar het is allemaal te weinig. Die Van der Louw leek me wel wat, maar die is nu ook al weer uit het zicht verdwenen”.

Wie zo scherp ziet, verdient te worden geëerd. Minister Kok onthulde terecht een standbeeld in Lieftincks geboorteplaats.