Grote belangstelling voor buitenlands beleid van lagere overheden

ROTTERDAM, 30 SEPT. “Enige tientallen” bedrijven hebben belangstelling getoond voor het afgelopen week geopenbaarde plan van de provincie Overijssel een "economisch steunpunt' in de Letse hoofdstad Riga te openen. Dat zegt de Overijsselse gedeputeerde J. Dijkema.

Dijkema nam het initiatief voor het steunpunt omdat hij in Letland goede mogelijkheden ziet voor de textiel-, metaal- en elektrotechnische industrie en de landbouw. “We willen goed op de hoogte zijn van de infrastructuur, zodat we onze bedrijven snel wegwijs kunnen maken”, verklaart hij.

Overijssel is niet de enige provincie met economische activiteiten in het buitenland. Provincies en gemeenten hebben een grote mate van zelfstandigheid bij het aangaan van betrekkingen met het buitenland. Vele voeren een eigen "buitenlands beleid', vaak zonder directe bemoeienis van ministeries van buitenlandse of economische zaken.

Noord-Brabant ondersteunt het bedrijfsleven al jaren bij expedities naar het buitenland. “Dat ligt voornamelijk op het vlak van promotie, waarbij provinciebestuurders meehelpen Brabantse bedrijven aan de man te brengen”, zegt een woordvoerder van de provincie. Ook Noord-Brabant is van plan een steunpunt in het buitenland te beginnen.

Volgens drs. J.B.L.M. Bouwman, staffunctionaris economische zaken van de provincie, ligt het in de bedoeling rond de jaarwisseling een "aanspreekpunt' in het Poolse Poznan in te richten, waar Brabantse ondernemers op zoek naar handelscontacten terecht kunnen. De provincie werkt al samen met die regio, waar ze onder meer een voorlichtingsproject voor jonge Poolse ondernemers steunt. Daarnaast geven acht adviseurs uit vier Brabantse vleesverwerkende bedrijven adviezen aan branchegenoten in Poznan.

Over een budget voor het steunpunt kan Bouwman nog niet veel zeggen, behalve dat het "low' is. Polen zal ook een bijdrage leveren.

Naast de vestiging van steunpunten in het buitenland ontwikkelen verschillende Nederlandse provincies ook op andere wijze internationale activiteiten. Zo vormden Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel een half jaar geleden met de Duitse deelstaten Nedersaksen en Bremen de "Nieuwe Hanze Interregio'. Die organisatie dient de samenwerking op het gebied van cultuur, economie en onderzoek te bevorderen.

Achterliggende gedachte daarbij is, aldus een woordvoerder van Overijssel, dat de gezamenlijke regio's samen sterker staan ten opzichte van "Brussel'. “Dat deelt in de toekomst de lakens uit. Met een groot achterland maken we meer kans bij het aanvragen van subsidies voor het opzetten van bedrijven.”

Ook op gemeentelijk niveau wordt heel wat buitenlands beleid gevoerd. Grote gemeenten als Rotterdam en Amsterdam, maar ook Nieuwerkerk aan den IJssel en Sint Michielsgestel trekken erop uit om hun bedrijven aan de man te brengen. Vooral Oost-Europa is in trek, ook om uitwisselingsprogramma's te beginnen op bestuurlijk niveau, of gewoon ter oriëntatie. Dient de missie een economisch doel, dan is ze vaak ook goed voor subsidie van Economische Zaken.

Dit soort reizen, zo betogen lagere overheden, maakt het mogelijk slagvaardig beleid te voeren. Toch lijkt het risico niet denkbeeldig dat gemeenten, provincies en landelijke overheid elkaar met al deze vormen van buitenlands beleid in de wielen rijden.

Woordvoerders van ministeries en van lagere overheden haasten zich uit te leggen dat alle buitenlandse activiteiten in goede onderlinge samenwerking worden geregeld. Niettemin zag staatsecretaris Van Rooij (economische zaken) zich in januari 1989 nog gedwongen de Vereniging van Kamers van Koophandel te vragen promotionele activiteiten voor bedrijven zoveel mogelijk te coördineren.

Een woordvoerder van Buitenlandse Zaken wijst erop dat het desondanks onmogelijk is alle verantwoordelijkheden van de verschillende overheden voor buitenlands beleid te regelen. “Er is een groot grijs gebied. Het ministerie stelt zich in dat opzicht pragmatisch op.”