Gidon Kremer speelt quasi simpel en met een bezeten precisie

Concert: Gidon Kremer, viool, en Oleg Maisenberg, piano; in de serie Grote Solisten. Programma: Schubert, Sonate in a D 385. Bartòk, Tweede Sonate. Webern, vier Stücke Op 7, Richard Strauss, Sonate in Es op. 18. Gehoord 28-9, Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam.

Een van buitengewone kenmerken van het recital van violist Gidon Kremer en pianist Oleg Maisenberg, zaterdagavond in het Concertgebouw in Amsterdam, was dat het zo gewoon begon. Met Schuberts Sonate in a D 385, intieme kamermuziek die je niet zou verwachten op het podium van de Grote Zaal, gaven zij een staaltje weg van quasi simpel musiceren. Het is echter verre van eenvoudig om je simpel uit te drukken, en dat is nu precies de grote kracht van Kremer. Hij staat boven de materie van hout, haren en snaren en overziet vanuit een uitkijkpost het hele gebied. Hij heeft inzicht in de bouw van Schuberts landschap en de onderliggende aardlagen, en brengt het in kaart zonder een detail te missen. Afgezien van een verschil in opvatting over het tempo in het eerste deel speelden de twee musici deze Schubert uiterst lucide en vanaf de eerste noot hielden zij de aandacht gevangen. Graag was ik af en toe ook nog ontroerd geweest, maar Kremers wat afstandelijke benadering gaf daar helaas geen aanleiding toe.

Bij Kremer schijnt het hart in het hoofd te zetelen en vanuit dat centrum wordt er gemusiceerd met een bezeten precisie. “Kaum hörbar” schrijft Webern voor in nr. 3 van zijn vier miniaturen opus 7, en op de achterste rij vangt men duidelijk op hoe Kremer nauwelijks hoorbaar speelt. “Ruw” schrijft Bartòk voor en de violist produceert een rauwe, korrelige klank waarbij zijn spel toch heel beschaafd blijft. Bartòks tweede sonate voor viool en piano kreeg een hoge graad aan indringende precisie mee maar de innerlijke temperatuur bleef koel.

Juist die mentaliteit was het waarmee Kremer de niet heel sterke partituur van Richard Strauss' Sonate redde. Het langzame deel waar vettige boterkoek voor het grijpen ligt, werd gespeeld met een superieure intelligentie waardoor het stuk boven zichzelf uit werd getild. Een terecht “bravo” uit de zaal bracht het duo niet uit de plooi, en met volle inzet wijdden zij zich vervolgens aan de finale waar de trivialiteit echter zo evident is dat zelfs Kremer en Maisenberg het deel niet wisten te redden.

Wegens ovationeel applaus werden wij nog onthaald op drie verrukkelijk gespeelde salonstukjes. Met veel gevoel voor humor en met een verbijsterend raffinement speelde het duo Kreislers Rondo op een thema van Beethoven, Souvenir van Kupcovic en Kreislers Marche Miniature Viennoise.