Een dis met negentiende-eeuwse vis

AMSTERDAM, 30 SEPT. Toen Herman Melville, de schrijver van het walvis-epos Moby-Dick, een eeuw geleden stierf, was hij miskend en vergeten. Tegenwoordig wordt hij gezien als een van de erflaters van de Amerikaanse literatuur. Zijn honderdste sterfdag werd dan ook in stijl herdacht. In de Beurs van Berlage kwamen afgelopen zaterdag tweehonderd mensen bijeen voor een negentiende-eeuwse vissersmaaltijd met voordrachten uit Moby-Dick en tafelredes van Melville-kenners.

"Moby-Dick in de Beurs' was het motto van de avond. De disgenoten zaten aan lange tafels, met aan het ene einde een spreekgestoelte in de vorm van een scheepsboeg, en aan het andere een videoprojectie van John Hustons verfilming van de jacht op de witte potvis. De film was zwijgend, want de organisatie had alleen een nagesynchroniseerde kopie kunnen bemachtigen en wilde ons Gregory Peck en Orson Welles in het Duits onthouden. Erg was dat niet: ook zonder geluid op de achtergrond waren de sprekers niet altijd even verstaanbaar. Vooral uitgever Martin Ros, die de avond opende met fragmenten uit Heathcote Williams' Rijk van de walvis, kwam vervormd over - alsof hij declameerde in de buik van een potvis. Maar misschien was dat juist de bedoeling.

Het was jammer dat Maarten Biesheuvel had afgezegd, en ook dat een aangekondigde lezing over "de Melville-industrie in de VS' zonder opgaaf van redenen van het programma was afgevoerd. Maar het door Jacques Commandeur voorgedragen begin van Moby-Dick ("Noem mij Ismael...') was prachtig, en het eten - mosselsoep en kabeljauwstoofpot zoals beschreven door Melville in het hoofdstuk "Chowder' - maakte veel goed.

Bij de eerste gang vertelde de Amerikaanse Sarah Bletzky ("my Dutch is as monstrous as Melville's whales') over de enorme invloed die Melville heeft gehad op de Amerikaanse literatuur - na 1920 wel te verstaan, want zeventig jaar lang zag bijna niemand de ware grootheid van het in 1851 verschenen Moby-Dick in. Schatplichtig aan Melville zijn onder anderen Hart Crane, Allen Ginsberg, en vooral William Faulkner, wiens lange verhaal The Bear gelezen kan worden als een soort Moby-Dick in bos en veld.

Na een tweetal "shanties' (matrozenliederen), die slechts na aandringen van een enthousiaste bard stijfjes door de gasten werden meegezongen, probeerde Maarten 't Hart een verklaring te vinden voor de "omgekeerde carrière' van Herman Melville. Waarom, zo vroeg hij zich af, schreef Melville eerst zijn grote romans, en publiceerde hij in de laatste dertig jaar van zijn leven alleen nog maar gedichten? De meeste schrijvers doen het juist andersom. En waarom kenmerkte Melvilles leven zich na de publicatie van Moby-Dick (op zijn 32e) door machteloosheid?

Het antwoord was niet te vinden in de twaalf Melville-biografieën die 't Hart voor de gelegenheid had doorgewerkt; maar hij hield het er op dat de schrijver diep teleurgesteld was geraakt. Met Mardi (1849) en het ambitieuze Moby-Dick had Melville geprobeerd de wereld te herscheppen in romanvorm. Toen die boeken door de kritiek werden neergesabeld, leek het alsof hij in zijn streven gefaald had. Dat stortte hem in een depressie, concludeerde 't Hart, die vervolgens een parallel trok met de problemen van de afwezige Maarten Biesheuvel.

“Aan alles wat nobel is kleeft zwaarmoedigheid” citeerde een van de sprekers Melville. En dat leek ook op te gaan voor deze herdenkingsavond. Pas toen enkele glazen punch de maaltijd hadden besloten, en op het videoscherm een walvisdocumentaire met Han Rensenbrink werd vertoond, kwam de stemming er in. De natafelende walvisliefhebbers en Melville-fans begonnen eindelijk met elkaar te praten, en de laatste shanties werden zelfs luid in canon mee gezongen. Misschien had het programma beter met punch en vrolijke canons kunnen beginnen. Alles in omgekeerde volgorde - net als de carrière van Herman Melville.