Zes middelbare scholen stellen zich op jonge topsporters in; "Als je ooit een doodschop krijgt'

EINDHOVEN, 28 SEPT. Met hun Naf Naf-sweaters, hun Levi's broeken en hun Nike Air-schoenen vallen ze niet op tussen de andere scholieren. Ook als ze in de pauze samengroepen in R8, hun eigen ruimte, onderscheiden ze zich in niets van hun medeleerlingen. Walkman op, knabbelend aan hun boterhammen, strijdend om de luidste lach, het hoogste woord.

Misschien praten ze meer over sport dan andere kinderen. Misschien zijn ze beweeglijker: motorisch gulzig. Ze slepen in elk geval grotere en duurdere sporttassen met zich mee.

Met ingang van het lopend schooljaar kunnen aspirant-topsporters op zes scholen voor voortgezet onderwijs terecht als ze sport en studie willen combineren. Deze "LOOT-scholen', verenigd in de stichting Landelijk Overleg Onderwijsinstellingen en Topsport, zijn toegesneden op de specifieke behoeften van de jeugdige talenten. Dankzij medewerking van de ministeries van WVC en Onderwijs hebben ze de vrijheid lesroosters aan te passen en examens over twee jaar uit te smeren. Ook zorgen ze voor begeleiding, studie- en trainingsfaciliteiten en bijles als die nodig is.

De scholen staan onder toezicht van het Nederlands Olympisch Comité, dat ook bepaalt wie zich aspirant-topsporter mag noemen en dus voor de extra voorzieningen in aanmerking komt. Voor de leerlingen van de laagste twee klassen zijn de eisen bescheiden: meer dan normale aanleg, meer dan normale ambitie. Maar scholieren in de bovenbouw moeten toch wel aansluiting hebben met de nationale top of daar uitzicht op hebben. Zij zijn "de echte LOOT-ers', zo wordt er over hen gesproken. Zo'n 150 in getal.

Beweegredenen en achtergronden van de zes scholen - in Arnhem, Eindhoven, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Lelystad - lopen sterk uiteen. Het Katholiek Gelders Lyceum in Arnhem heeft al jarenlang ervaring met sportieve talenten als partner van het turninternaat op Papendal. Hetzelfde geldt voor het Eindhovense St. Joriscollege dat al meer dan tien jaar samenwerkt met de tennisschool van Henk van Hulst, onder meer trainer van Paul Haarhuis. In de tijden dat de tennisbond er in Geldrop nog een nationaal trainingsinstituut op nahield, door Henk van Hulst geleid, is Jacco Eltingh daar nog school gegaan. Bij het Haagse Segbroek College heeft een minderhedenproject tot de zorg voor jeugdige topsporters geleid. Voor het Amsterdamse Calandlyceum was LOOT een laatste strohalm in de strijd tegen het slinkende leerlingenaantal.

Doel van de zes scholen is hetzelfde: voorkomen dat leerlingen moeten kiezen tussen sport en studie. Vermijden dat er concessies worden gedaan op een van die terreinen. Dat betekent: woekeren met tijd. Tijd voor huiswerk. Tijd voor trainen. Gebrek aan tijd is aspirant-topsporters' grootste probleem. Beschikbare tijd dient dus optimaal gebruikt te worden. Dat gebeurt door de hypersportieven vrij te stellen van de gymles of creatieve vakken, tijd die ze kunnen besteden aan specifieke sporttraining of aan huiswerk. Dat gebeurt ook door overleg met trainers, met verenigingen. Zodat piekperiodes op school en in sport gespreid kunnen worden en niet culmineren in slapeloze nachten en stress.

In de gymles haal je ze er onmiddellijk uit: de sportieve vedetten in spé. Door hun inzet, hun motoriek. Het is donderdagmorgen, tweede lesuur op het St. Joriscollege. De klassen B2B en M2A spelen een partijtje bankvoetbal. Jorg Maruanaja, afkomstig van PSV's voetbalinternaat, kapt de bal zoals Kieft. Mark Damen, ook van PSV, slalomt als Vanenburg. Hun enige handicap, zegt Loek Vissenberg, docent lichamelijke opvoeding en mentor van de jeugdige sporters: bankvoetbal moet je mét je medespelers doen. Ze zijn gewend om tégen de anderen te spelen.

PSV'er Björn Raven zit twee klassen hoger: in vier mavo. Hij zou dit jaar examen moeten doen, maar het centraal schriftelijk valt net samen met het Europese kampioenschap voor nationale jeugdteams. Als het Nederlands elftal zich plaatst, wil hij het examen graag verschuiven. “Een test voor de school”, meent Loek Vissenberg.

De 16-jarige voetballer, afkomstig uit Den Haag, geeft eerlijk toe dat hij sport veel belangrijker vindt dan schoolopleiding. “Ik denk dat ik daar ook meer mee kan bereiken.” Toch overweegt hij om na de mavo een avondcursus te doen, misschien te mikken op een middenstandsdiploma, zodat hij later een sportzaak kan beginnen. “Stel dat je een doodschop krijgt en nooit meer kunt spelen. Dan is het belangrijk dat je nog iets anders kunt.”

De lijst LOOT-leerlingen van het Eindhovense St. Joriscollege telt 45 namen. Ze zitten verspreid over meer dan twintig klassen: brugklas, mavo, havo, vwo. De jongens zijn met veertig ver in de meerderheid. De 33 voetballers - 24 van PSV, 8 van Eindhoven, 1 van Helmond Sport - vormen de hoofdmoot. Andere sporten die vertegenwoordigd zijn: judo, tennis, hockey, atletiek, taekwondo, badminton en golf.

Loek Vissenberg zegt dat in principe alle olympische sporten in aanmerking komen voor de extra trainings- en studiefaciliteiten. Dat geldt dus ook voor het jeugdige kleiduifschiet-talent. Hij geeft toe dat hij daar wel eens zijn twijfels bij heeft gehad, met name bij een meisje dat golf speelt. “Want wat stelt het vrouwengolven in Nederland nou eigenlijk voor?” Maar hij zegt er meteen bij “dat de scholen niet op de stoel van de sportbonden moeten gaan zitten” en dat je “appels en peren niet kunt vergelijken”. “Dit meisje maakt wel deel uit van de nationale selectie. Dat is het criterium.”

Het St. Joriscollege heeft er doelbewust voor gekozen alleen afspraken te maken met verenigingen, niet met ouders. “Want ouders zijn allemaal hetzelfde”, zegt Loek Vissenberg. “Of hun kind nou tennist of voetbalt: allemaal denken ze dat hun uil een valk is.” Terwijl trainers makkelijker afstand nemen. Zij zien of een kind echt kans maakt op de top in zijn sport.

De meesten halen het niet, weet Vissenberg. “Van die 24 PSV'ers die er bij ons rondlopen, hoeveel zouden er in het eerste elftal komen? Een of twee of drie? Voor de jongens die afvallen is er op deze school niks verloren. Ze hebben hun opleiding. Ze hebben een prachtige ervaring opgedaan.”

Met zijn blonde haardos en zijn pigmentarme huid ziet hij eruit als zijn idool, Boris Becker. En zo tennist hij ook. Vijftien jaar is Manengo Peters; hij zit in drie vwo. Elke dag weer is een race tegen de tijd voor Manengo. Eerst school natuurlijk. Om tien over twee is hij uit. Daarna naar huis fietsen om zijn racket op te halen. Trainen van drie tot zes. Om half zeven eten, gevolgd door de afwas. Half acht: met huiswerk beginnen. Als het tegenzit, is hij daar tot tien uur mee bezig. “Dan ben ik helemaal kapot. Dan val ik zo in slaap.”

Manengo wil op school geen buitenstaander zijn. Maar hij vindt het wel plezierig dat in de nieuwe opzet rekening met hem wordt gehouden. Dat hij een gymles kan gebruiken om alvast wat huiswerk te maken. Dat hij een proefwerk mag inhalen, waarvoor hij niet heeft kunnen leren door een toernooi. Fijn vindt hij ook dat de jeugdige sporters nu een eigen ruimte hebben, waar ze ongestoord kunnen studeren. En dat ze met een hele groep zijn. Dat is gezelliger. Ook een steun in de rug. “Want als je hoort dat die niet-sporters lekker uit gaan, dan denk je: "shit, waarom ik niet'. Ze kunnen ook niet begrijpen dat ik het volhoud, dat ik het leuk vind. Andere sporters wel.”

Manengo zou het erg vinden als hij in het tennis niet aan de top komt. Maar het ergste lijkt hem, als hij het ook op school niet zou halen. “Dan heb je helemaal niks meer. Dan heb je alles dus voor niks gedaan.” Dus doet hij zijn best met studeren. Niet dat hij dat leuk vindt. “Ik denk dat het bij gewone kinderen niet anders is.”

Conrector Ad van de Berk, binnen de directie verantwoordelijk voor het sportproject, zegt dat de combinatie van school en topsport pas in haar kinderschoenen staat. Hij beschouwt het lopend jaar als een proefjaar. Voor de jaren daarna voorziet hij grote groei. Niet alleen zal het aantal LOOT-scholen worden uitgebreid tot tien om een behoorlijke regionale spreiding te krijgen. Hij verwacht dat ook steeds meer sportbonden en verenigingen een beroep op de scholen zullen doen. Voor volgend jaar rekent hij op een toestroom van turners en zwemmers.

Er zijn nog wel een paar details te regelen. De financiering bij voorbeeld. De jeugdige topsporters kosten de scholen per schooljaar zo'n 2500 gulden extra. Per leerling. Daar zoeken de scholen nog sponsors voor. Als het geld er niet komt, moeten de faciliteiten weer worden beperkt. Of de ouders draaien voor de kosten op.

Loek Vissenberg is ervan overtuigd dat het bestaan van de LOOT-scholen op termijn zal leiden tot een toename van het aantal topsporters in Nederland. “Heel simpel. Omdat deze aanpak leidt tot minder verlies aan talenten. Leerlingen krijgen de kans om zowel hun sportieve als hun verstandelijke vermogens optimaal te ontwikkelen. Ik ken genoeg sporters die op beide terreinen zijn mislukt.”