WATERSTAAT

Stromen en schutten, vaarten en voorden. Geschiedenis van de natte waterstaat in Drenthe 1291-1988 door G.A. Coert 425 blz., geïll., Boom 1991, f 57,50 ISBN 90 6009 980 X

De geschiedenis van de Overijsselse Kanalen; Geschiedenis van de N.V. Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij en haar rechtsopvolger de N.V. Maatschappij Overijsselsche Kanalen (1850-1989) door A. Smolders 100 blz., geïll., Rijkswaterstaat 1989 (Rijkswaterstaat-serie no. 50), gratis te verkrijgen bij de uitgever Geen ISBN

Ingenieur weg- en waterbouwkunde G. A. Coert was van 1946 tot 1981 werkzaam bij de Provinciale Waterstaat van Drenthe. In zijn onlangs verschenen Stromen en schutten beschrijft hij de geschiedenis van de zogenaamde natte waterstaat in die provincie. Hij gaat hiervoor terug tot de late dertiende eeuw. Kenmerkend was de verregaande autonomie die de afzonderlijke Drentse marken (dorpen) toen op waterstaatsgebied bezaten. Juist dit zelfbestuur droeg in de periode van 1400 tot 1600 bij tot de escalatie van vele conflicten over het uitdiepen, verbreden of afsluiten van wateren en de bouw van bruggen.

In de volgende eeuwen nam de zorg voor de waterstaat sterk toe, vooral invloed van de turfwinning. Elementair in het eeuwenlang gehanteerde systeem van veenexploitatie was immers de realisering van een stelsel van wateren. Door de aanleg van een dicht net van kanalen en zijsloten (wijken) werd de natte bodem ontwaterd, waarna de locale bevolking de veengebieden introk om er de vaak metersdikke veenmassa laag voor laag af te steken. Na droging werd het materiaal - bestaande uit gelijkvormig gesneden turven - per schuit afgevoerd, meestal naar Groningen of richting Holland.

Zowel de toename van de waterlossing als het transport gaven aan de grenzen van de provincie echter opnieuw aanleiding tot conflicten: Overijssel en Groningen werden opgezadeld met het overtollig water terwijl Drenthe eeuwenlang weigerde mee te betalen aan de oplossing van de problemen die hiervan het gevolg waren. Van hun kant stonden Groningen en Zwartsluis (O) niet toe dat de turfvaart andere wegen zou kiezen: sluis- en passagegelden alsmede commerciële contacten van de schippers met de locale economieën leverden immers heel wat op.

Stromen en schutten is een geslaagd werk over een grotendeels onbekend hoofdstuk uit de waterstaatsgeschiedenis. Jammer is dat het enigszins moeilijk leest door gebrek aan duidelijke inleiding en samenvatting.

Dat laatste geldt minder voor het tegelijkertijd degelijke en toegankelijke Overijsselsche kanalen, een boek van de historicus A. Smolders over de geschiedenis van de voorlopers van de Twentekanalen. Anders dan in Drenthe was het doel van de aanleg van de "Overijsselsche kanalen' de ontsluiting en ontwikkeling van een opkomend industriegebied.

Toen bleek dat de verwachte aanleg van een spoorweg naar Twente van de baan was, stond niets de plannen meer in de weg en spoedig na de oprichting van de Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij (OKM) in 1850 ging de eerste spade de grond in. Opmerkelijk was de deelname van de Overijsselsche Spoorweg Maatschappij in het project: de maatschappij leverde 40% van het benodigde kapitaal, wat erop wijst dat de verwachtingen van de aandeelhouders voor een spoorverbinding zeer sterk waren afgenomen. In 9 jaar werd een hoofdwaterweg aangelegd van de IJssel bij Zwolle naar Almelo, met zijkanalen richting Vecht en naar de IJssel bij Deventer. Gebrek aan financiële steun van steden als Hengelo en Enschede leidde ertoe dat de beoogde aansluiting van deze plaatsen kwam te vervallen.

Vooral de textiel- en de machine-industrie hebben sterk geprofiteerd van de Overijsselsche Kanalen, die 75 jaar lang de slagaders van Twente waren. Voor het gebruik van de vaarwegen betaalden de schippers tol, die de OKM jaarlijks vele tienduizenden guldens opleverde. Decennia lang bleef dat goedgaan maar op den duur stegen de kosten en liep het dividend terug. Toen bovendien de inmiddels toch aangelegde spoorweg een geduchte concurrent bleek, ging het snel bergafwaarts. De economische terugval tijdens de Eerste Wereldoorlog bracht de OKM een volgende zware slag toe, waarna de crisis van de jaren '30 het nekschot betekende. In 1941 viel het doek voor de onderneming, die sedertdien als MOK grotendeels in overheidshanden is. Recent werd besloten tot sluiting van de MOK-vaarweg Almelo-De Haandrik en in 1988 gebeurde dit al met het traject Deventer-Raalte.