Vrouw mag in dossier naar naam van vader zoeken; Rechtsstrijd binnen privé-sfeer

AMSTERDAM, 28 SEPT. Ieder mens heeft aanspraak op “eerbiediging van zijn privéleven en gezinsleven”, zegt het Europees verdrag voor de Mensenrechten. Het noemt deze twee in één adem, maar ze kunnen ook botsen. Zo woedt al weer enige tijd een debat over het recht van kinderen om met naam en toenaam uitsluitsel te krijgen over hun biologische afstamming - ook als die door hun ouders welbewust is weggestopt.

Deze aanspraak is inzet van de test-case van enkele, inmiddels reeds lang volwassen, kinderen tegen de stichting Valkenhorst (voorheen Moederheil) voor hulpverlening aan ongehuwde moeders en hun kinderen te Breda. In de jaren twintig is daar Maria R. ter wereld gekomen. Haar moeder, die inmiddels reeds lang is overleden, heeft ze eigenlijk maar twee maal in haar leven gezien. Deze moeder had bij de geboorte direct afstand gedaan. Volgens de regels van Moederheil had ze wel de naam van de verwekker moeten opgeven aan de religieuzen die destijds de gevallen vrouwen voorzagen van hulp en zielszorg. Haar kind hoorde echter niets. Uitsluitsel te krijgen werd welhaast een obsessie van dochter R., maar de regels van Valkenhorst v-h Moederheil waren onverbiddelijk: de dossiers - symbolisch: tegenwoordig opgeslagen in de voormalige kapel van de inrichting - bleven gesloten voor de kinderen.

De rechtbank Breda wees in juni 1989, en nog weer eens in maart van dit jaar, hun recht van inzage af. Het voornaamste argument was dat mensen zich tot hulpverleners moeten kunnen wenden in het vertrouwen dat deze nimmer hun geheimen zullen prijsgeven. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Bosch vorige week deze stellingname afgezwakt en beslist dat Maria R. alsnog toegang tot het dossier van haar moeder kan krijgen.

Het hof woog met name de factor tijdsverloop sterker mee dan de rechtbank. Dat inmiddels meer dan zestig jaar zijn verlopen deed in Breda niet af aan het geheim van de dossiers van Moederheil gezien de “diepe geheimhouding” waaronder de bijzonderheden van het ongehuwd moederschap waren prijsgegeven. Was de biologische vader misschien een vooraanstaand persoon? Als hij nog in leven is, merkt het hof relativerend op, dan moet hij hoogbejaard zijn. Het feit dat het natuurlijke kind zijn naam alsnog leert kennen kan in de moderne tijd toch niet meer gelden als een onevenredige aantasting van zijn privacy. Ook de nagedachtenis van de moeder moet een dergelijke openheid naar het kind toe kunnen velen. (Het is trouwens omstreden of de wettelijke privacybescherming zich tot na de dood uitstrekt; een uitspraak van de Raad van State uit 1986 over de zaak van de spion King-Kong uit de Tweede Wereldoorlog vormt volgens deskundigen een reden daar niet van uit te gaan). Wat het argument van de hulpverlening betreft tekent het gerechtshof tenslotte aan dat het vandaag de dag toch niet meer valt aan te nemen dat één vrouw zich zal laten weerhouden hulp te zoeken wanneer zij zou weten dat bepaalde details vijfenveertig jaar na haar overlijden eventueel zullen worden geopenbaard aan haar eigen kind.

Dat laatste is ongetwijfeld waar, maar vormt tegelijk een belangrijke beperking van de betekenis van de uitspraak van het gerechtshof. Het geeft een praktische oplossing voor een bijzonder geval. Maar achter Maria R. staan andere kinderen te dringen. De rechtsvraag is niet nieuw (denk alleen al aan de zogeheten Canadezenkinderen van na de bevrijding) maar heeft een nieuwe lading gekregen door moderne medische technieken als kunstmatige inseminatie en reageerbuisbevruchting. Medici zeggen dat een absolute garantie van anonimiteit een belangrijke voorwaarde is om donoren te krijgen.

Het bezwaar van de kinderen in dit soort situaties is dat zij “worden geacht te leven volgens een afspraak waaraan zij geen deel hadden”, zoals de woordvoerdster van een Amerikaanse belangenvereniging van adoptiekinderen het treffend uitdrukte. De woordvoerder van een groepering van afstandsouders VS stelde daar onmiddellijk tegenover dat het oneerlijk is achteraf een inbreuk te maken op de privacy van mensen die te verstaan is gegeven “dat zij konden doorgaan met hun leven zonder over hun schouder te hoeven kijken”. De woordvoerdster van de adoptiekinderen was niet onder de indruk van dit argument: “Deze mensen zijn hun kind tenminste een telefoongesprek verschuldigd”. Dat is nu ook een beetje de redenering van het gerechtshof Den Bosch. Maar daar hoeft het niet bij te blijven.

Het privéleven van de één (ouder) tegenover het familieleven van de ander (kind). Op de keper beschouwd speelt de rechtsstrijd zich zelfs af binnen één en hetzelfde grondrecht, namelijk dat van de privacy. Het recht op de persoonlijke levenssfeer impliceert toegang tot de gegevens die op de betrokken persoon betrekking hebben, in het bijzonder informatie “die noodzakelijk is om de kindertijd en vroege ontwikkeling te kennen en begrijpen”. Deze bewoordingen zijn ontleend aan een uitspraak van het Europese Hof voor de Mensenrechten uit 1989 in de zaak-Gaskin. Het Hof voegde er echter direct aan toe dat dit informatierecht niet absoluut is; vertrouwelijkheid van informatie kan geboden zijn ter bescherming van anderen - zoals de ouders.

Met name de Utrechtse hoogleraar adoptie dr. R.A.C. Hoksbergen staat op het standpunt dat dit onderscheid vals is. “Een mens die een kind verwekt is onverbrekelijk met die nieuwe mens verbonden. Dit maakt het natuurlijker wijze onmogelijk recht te hebben op ontkenning van deze voortplanting, bijvoorbeeld onder verwijzing naar het recht op privacy. Dit bestaat alleen ten opzichte van derden, niet het kind zelf”. Juridisch ligt het echter toch iets ingewikkelder, waarschuwde het gerechtshof Den Bosch. Het dossier belichaamt een band tussen de gegevensverschaffer (moeder) en gegevensbewaarder (Valkenhorst) die het kind inderdaad tot derde maakt. “Het enkele feit dat de gegevens betrekking hebben op haar afstamming maakt Maria R. wèl belanghebbende bij maar nog geen rechthebbende op inzage”. Ook als dat laatste wel zou worden aangenomen laat de Wet persoonsregistraties trouwens een uitzondering toe “voorzover dit noodzakelijk is met het oog op gewichtige belangen van anderen”. En “tegenstrijdigheid” van belangen tussen moeder en kind kan in dit soort aangelegenheden volgens het gerechtshof “niet uitgesloten worden geacht”.

Daarmee is dan in ieder geval de betrokkenheid van kinderen bij hun afstammingsgegevens erkend. De rechtbank Breda had dat trouwens ook al gedaan. Zo zou de Valkenhorst zijn dossier wèl kunnen gebruiken om uitsluitsel te geven over de eventuele aanwezigheid van huwelijksbeletselen. Ook genetische-erfelijke informatie uit de dossiers zou de betrokken kinderen niet mogen worden onthouden. Het punt was alleen dat dit zou kunnen zonder de biologische vader te identificeren. Maar met het toenemend belang van genetische informatie wordt het steeds moeilijker dat te vermijden. Er is een voortdurende belangenafweging nodig. Een complicatie is dat de kinderen niet alleen buiten de afspraak staan, zoals dat in Amerika is genoemd, maar dat het karakter van die afspraak zelf in de loop der tijd aan wisselende stemmingen onderhevig is. Er is in het kinderrecht een duidelijke slingerbeweging tussen biologisch en sociaal ouderschap. Dat laatste heeft de afgelopen periode een accent gekregen, mede onder invloed van de adoptie. Daarbij wordt het kind immers juridisch getransplanteerd in de nieuwe familie terwijl de oude sporen worden uitgewist. Maar Nederland was zo ongeveer het laatste land in Europa dat adoptie mogelijk maakte; van oudsher stond hier het biologisch ouderschap voorop. En nu hebben onderzoekers van de Vrije Universiteit onlangs gerapporteerd dat onbekendheid met hun biologische afstamming mensen een existentiële onzekerheid geeft die hen belemmert hun eigen leven in te richten; ze hebben het gevoel te worden geleefd.

Is de cirkel zo weer rond? Het gerechtshof Den Bosch heeft met nadruk in het midden gelaten of de tijd rijp is voor een absoluut recht op kennisneming van afstammingsgegevens. Daar is een wet voor nodig, zegt het. De regering aarzelt op de drempel. Ten onrechte, betoogde de Amsterdamse hoogleraar jeudgrecht mr. M. de Langen vorig jaar in een pre-advies voor de Nederlandse Juristenvereniging. Deze stemde in met haar pleidooi voor “het waarheidsbeginsel”. Al moest ook de pre-adviseur erkennen dat “het recht nooit zal kunnen garanderen dat personen altijd naar waarheid zullen handelen”.