Verschuiving naar Oost-Europa bijkomend verschijnsel; Minder snel hulp voor Afrika; Donorgemeenschap begint zich af te wenden door uitzichtloosheid van hulp

De donorgemeenschap begint zich volgens de hulpverleners in Genève vooral af te wenden van Afrika door de uitzichtloosheid van hulp aan het continent. Duurzame oplossingen blijven uit. Bovendien bemoeilijkt de onzekere veiligheidsituatie de hulpoperatie voor miljoenen hongerende Afrikanen in ernstig mate. Tegenwerking van betrokken regeringen in de getroffen gebieden - die voedselhulp als politiek wapen blijven zien - is een andere factor. Verschuiving van accenten naar Oost-Europa is bij dit alles louter een bijkomend verschijnsel.

“We doen ons best om Afrika niet in vergetelheid te laten raken”, zegt Paul-Henry Morard van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) die “een relatieve desinteresse van de donorgemeenschap voor Afrika” signaleert. Dat een zekere mate van donormoeheid optreedt is vooral te merken aan de trage reactie op een begin deze maand door het ICRC gelanceerd appèl om 77 miljoen gulden extra voor Afrika los te krijgen. Andere hulporganisaties vergaat het net zo.

De Golfoorlog en de gebeurtenissen in Oost-Europa hebben de aandacht van de media gevangen gehouden en het grootste deel van nationale begrotingen voor noodhulp opgeslokt. Overstromingen in Bangladesh en de vulkaanuitbarsting op de Filippijnen vielen samen met de nasleep van de Golfoorlog: de uittocht en repatriëring van Koerdische vluchtelingen.

Veel donorlanden moeten uit alternatieve middelen putten om aan de roep om noodhulp gehoor te kunnen geven. Minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking merkte in mei al op dat de bodem van de geldkist voor noodhulp in zicht kwam.Toch trekken Westerse donors wel de portemonnee voor Oost-Europa, al gaat het om kleine bedragen. Bijvoorbeeld: in Joegoslavië verschaft het ICRC 90.000 ontheemden medische noodhulp. Daarvoor werd eind augustus met relatief gemak 10 miljoen gulden extra losgetrommeld van de donors. Dit bedrag staat in geen verhouding tot het kapitaal dat nodig is voor de Hoorn van Afrika.

Door excessieve droogte raken daar volgens cijfers van de Verenigde Naties 22 miljoen mensen in levensgevaar wanneer voor eind '92 geen 800 miljoen gulden extra op tafel komt. Op het laatste appel van de VN (van 19 juli) heeft slechts een handjevol landen gereageerd: pas 140 miljoen is tot dusver toegezegd. Het grootste deel hiervan is bovendien geoormerkt, dat wil zeggen strikt aan een bepaalde vorm van besteding gebonden.

“Het is bijzonder moeilijk om baar geld los te krijgen dat niet vooraf duidelijk door de donors is voorbestemd voor bepaalde projecten of organisaties”, klaagt Morard van het ICRC. In sommige gevallen financiert de donorgemeenschap drie of vier keer "petprojects', operaties die de voorkeur verdienen, terwijl andere programma's achterblijven.

De Liga van (146 nationale) Rode Kruisverenigingen, die ook kantoor houdt in Genève en samen met het particuliere Zwitserse ICRC opereert, heeft op haar appel van begin juni voor 8 miljoen gulden voor de Hoorn van Afrika nog niet de helft binnengekregen.

Behalve aan vergrote belangstelling voor de noden in Oost-Europa schrijft Marguerita Waldström van de Liga de lauwe reactie vooral toe aan de onzekere veiligheidssituatie in de Hoorn. Somalië is voor de Liga geheel ontoegankelijk, in Ethiopië zijn gebieden ter grootte van België onbegaanbaar of onveilig.

Maar ook: hulporganisaties opereren soms langs elkaar heen, overlappen elkaar; onervaren hulpverleners kunnen de condities ter plekke niet aan, betrouwbare informatie over de behoeften aan voedsel en aan medicijnen ontbreekt, terwijl vooral in de door een voortdurende burgeroorlog geteisterde gebieden in Soedan en Somalië de coördinatie tussen hulpverlenende instanties ver is te zoeken. Onder deze omstandigheden is het moeilijk extra geld aan te trekken.

Daar komt bij: voor Afrika is dit appèl het zoveelste in een lange rij, terwijl duurzame oplossingen uitblijven. Toch schrijft ook Morard van het ICRC de geconstateerde donorwanhoop niet alleen toe aan "Oost-Europa'.

Het ICRC heeft dit jaar een veel groter beroep op de geldschieters moeten doen dan voorheen. De organisatie, met 640 medewerkers in het Geneefse hoofdkwartier, 1.000 gedelegeerden in het veld en nog eens 5 tot 6.000 ter plaatse aangetrokken krachten, zag de begroting voor veldprojecten dit jaar toenemen tot 825 miljoen gulden, vergeleken met 530 miljoen vorig jaar.

“Dat bedrag is hoger dan ooit”, zegt Christian Kornevall van het ICRC, verantwoordelijk voor de financiering van projecten. Het hoofdkwartier in Genève vergt bovendien nog eens 130 miljoen gulden.

De VS, Zwitserland en de EG, in die volgorde, behoren tot de grootste geldschieters, gevolgd door Zweden, Japan, Duitsland, Canada, het Verenigd Koninkrijk en de Noordse landen. Nederland bungelt onderaan de lijst, wat de financiële experts van het ICRC allerminst ontgaat: “Met 2,3 miljoen voor Afrika dit jaar staat de Nederlandse bijdrage aan het ICRC in geen verhouding tot de tientallen miljoenen die Den Haag uittrekt voor hulporganisaties van de VN”, zegt Kornevall.