Staatsgezinde principes

Eens per jaar belandde op de bureaus van de redacteuren een oekaze van de hoofdredacteur met de nieuwste instructies voor hun persoonlijke onkreukbaarheid.

Het waren circulaires van een vale papiersoort die er net zo deprimerend uit zagen als alle andere interne missiven die bij de socialistische krant werden verspreid, maar de boodschap die erin stond was zo helder als kristal. Kort en goed werden de redacteuren van de krant er nog eens aan herinnerd dat ze onder geen beding van iemand geschenken mochten aannemen en elk toegezonden relatiegeschenk, hoe klein ook, per kerende post moesten retourneren. Ondertekend: dr. Th. W. van Veen, in het begin van de jaren zestig hoofdredacteur van Het Vrije Volk en later hoogleraar strafrecht aan de Rijksuniversiteit in Groningen.

Het eerste exemplaar dat ik in die jaren ontving, was verzonden naar aanleiding van een public relations-offensief van Philips, dat ter gelegenheid van de aandeelhoudersvergadering van dat jaar een aantal "bevriende' journalisten een televisietoestel ten geschenke had gegeven. Enkele journalisten hadden het geschenk geweigerd, maar de meesten hadden het, onder dankzegging, aanvaard. Bij elke nieuwe aanleiding - bijvoorbeeld in december wanneer de kerstpakketten bij de portier werden afgeleverd - werden de vermaningen herhaald. Voor iedere journalist die bij Het Vrije Volk werkte, begon zo de inwijding in de professionele ethiek, die overwegend gedragen werd door ongeschreven wetten waarin de definities van de journalistieke onafhankelijkheid verankerd waren. De jonge redacteuren van de krant (die toen nog eigendom van de Partij van de Arbeid en het NVV was) werd in circulaires maar ook in aanvullende opvoedingscursussen regelmatig op het hart gebonden bedacht te zijn op alle gevaren die de uitoefening van het ambacht konden bedreigen - waarop een opsomming volgde die hooguit het topje van de ijsberg betrof. Wie openstond voor die waarschuwingen en ook nog theoretisch hogerop wilde, werd door mentoren verwezen naar professor Kranenburgs handboeken over het staatsrecht, maar in principe werd de mondelinge socialistische catechesatie toereikend geacht om de beoogde immunisering te bereiken.

Sloeg die vorming aan, dan was je voor de rest van je leven geïmpregneerd met de Tien Geboden van de journalistiek, die in de eerste plaats bedoeld waren als bescherming tegen alle verleidingen die het op de onafhankelijkheid van je oordeel hadden gemunt. Had men die geboden in één adem ook bijgebracht aan de Kamerleden van de PvdA, dan zouden die zich een mal figuur in de door lobbyisten bevolkte "grijze gebieden' rondom het Binnenhof hebben bespaard. Er is lang nagegniffeld om de twee vooraanstaande socialisten uit de nadagen van het kabinet-Den Uyl (een Kamerlid en een oud-minister) die ooit met hun vingers in de jampot werden betrapt: de oud-minister had in het Philipskantoor aan het Tournooiveld een dictafoon gekocht (en daarmee gebruik gemaakt van formidabele kortingen die het bedrijf aan relaties gaf) en die enkele maanden later, tegen een voordelige prijs, aan zijn fractiegenoot doorverkocht. Het voordeel van de één was even onbelangrijk als het nadeel van de ander, maar het principe dat de beide Kamerleden onder de voet hadden gelopen was dat niet. Ze hadden geen van beiden de schijn des kwaads ontlopen maar waren in een val getrapt die ze beter uit de weg hadden kunnen gaan om zelfs maar de lichtste indruk van omkoopbaarheid te vermijden.

Op de redactie van de eertijdse partijkrant werden de waarschuwingen na elk bedrijfsongeluk in dat genre opnieuw er ingehamerd: aanvaard geen gunsten die bedoeld zijn een wederdienst uit te lokken, accepteer nooit vrijkaarten (noch voor de opera noch voor het Nederlands Elftal), weiger betaalde vliegreizen of betaalde vakanties en laat nooit een ander voor je lunch betalen.

Die zedelijke vermaningen, die met een oudtestamentische gestrengheid werden uitgedeeld, waren moderne varianten van de ruim driehonderd jaar oude staatkundige zedeleer van de Staten van Holland. De ambtsinstructie van 1641 verbood de raadpensionaris van Holland in de strengste termen niet alleen het aannemen van geschenken maar ook van "Eedtbare Spyse ofte Dranck'. Johan de Witt, dat toonbeeld van onkreukbaarheid (volgens de Franse gezant d'Estrades waren er buiten hem slechts drie onomkoopbare lieden in heel de Republiek), wees alle staatshoofden die zijn diensten wilden kopen de deur, maar zond de fraaie freule Van Nassau, zuster van Maurits de Braziliaan, na een aangename nacht bij haar te hebben doorgebracht, ook het handwerkje terug, dat zij hem uit dankbaarheid had laten bezorgen.

Artikel XXXIII uit die instructie is ten onrechte in de vergetelheid geraakt. Het zou, mits afgestoft en gemoderniseerd, ook in deze tijd nog dienst kunnen doen, niet alleen voor de politiek maar ook voor de journalistiek: “Ende sal den voorschreven Raedt-Pensionaris Eedt doen, dat hij oock geen Giften, Gaven ofte Geschenken (sal) mogen ontfangen, genieten nochte proffiteren van eenige dingen, hoe kleyn die oock souden moghen wesen, oock van eedtbare Spyse ofte Dranck, ende dat van yemandt, 't zy Steden, Collegien, Compagnien, Kameren, Personagien ofte particuliere Personen, die hij weet, die yets aen hare Edel Groot Mog. ofte derselver Gecommitteerde Raden te doen te hebben ofte apparentelijck te sullen krygen”.