President Bundesbank wil positie D-mark versterken

FRANKFURT, 28 SEPT. Helmut Schlesinger, de president van de Duitse Bundesbank, wil de positie van de D-mark versterken voordat in de Europese Gemeenschap tegen het einde van de jaren negentig de overstap naar één gemeenschappelijke munt wordt gemaakt.

De Bundesbank wil in de aanloopperiode naar de slotfase van de economische en monetaire unie (EMU) de D-mark weer het stabiliteitsanker van het monetaire stelsel in Europa maken. Door de ontwrichtende gevolgen van de Duitse eenwording heeft de D-mark het afgelopen jaar iets van zijn glans als sterkste munt met de laagste inflatie in Europa verloren. Schlesinger zei gisteren op het Europese Bankcongres in Frankfurt dat de Duitse inflatie zo snel mogelijk teruggedrongen moet worden naar ongeveer twee procent per jaar. Op het ogenblik neigt de inflatie in Duitsland naar vier procent.

Lage inflatie is volgens de president van de Bundesbank niet alleen goed voor Duitsland, maar ook de Duitse bijdrage aan prijsstabiliteit in de rest van Europa.

Schlesinger, die deze zomer Karl-Otto Pöhl opvolgde en gedurende twee jaar de Bundesbank zal leiden, maakte duidelijk dat de Bundesbank tot nu toe instemt met de vorderingen die gemaakt worden op weg naar één munt en één centrale bank in Europa. Ook Henning Christophersen, de EG-commissaris voor financiën, liet zich positief uit over de vooruitgang bij de EMU-onderhandelingen. Na de bijeenkomst van de EG-ministers van financiën vorige week zaterdag in Apeldoorn is “de kans op succesvolle afronding van EMU voor het einde van dit jaar groot”, aldus Christophersen. Hij prees de rol van Nederland als voorzitter van de onderhandelingen om compromissen te zoeken die voor zowel de sterke als de zwakke EG-landen aanvaardbaar zijn.

Anderzijds waarschuwde Christophersen dat niet alleen zwakke landen zoals Griekenland of Italië tekort schieten om de definitieve overstap naar één munt te kunnen maken. Hij verwees specifiek naar Nederland als probleemgeval in verband met de uitzonderlijk hoge omvang van de Nederlandse staatsschuld als percentage van de nationale economie. Volgens Christophersen zal de EG in de aanloopperiode naar de EMU steeds strengere eisen stellen aan het financieel-economische beleid van landen.

President Schlesinger zette gisteren nog eens de Duitse positie uiteen ten aanzien van prijsstabiliteit en volledige politieke onafhankelijkheid als uitgangspunten voor de toekomstige Europese centrale bank. Suggesties van politici om naast prijsstabiliteit ook andere overwegingen in het monetaire beleid te betrekken, zoals economische groei en werkgelegenheid, wees hij resoluut van de hand. “Dat zijn geen taken waarvoor een centrale bank de juiste instrumenten in handen heeft”, zei hij. Monetair beleid moet volgens hem niet gebruikt worden als instrument voor economisch conjunctuurbeleid, want het gevolg daarvan is uiteindelijk “meer inflatie, minder groei en minder werkgelegenheid”.

Ook verwierp Schlesinger suggesties van sommige landen, met name Frankrijk, om de onafhankelijkheid van de Europese centrale bank op het gebied van wisselkoersbeleid te beperken. Hij eiste de garantie dat een beleid gericht op prijsstabiliteit niet wordt ondermijnd door politiek beslissingen over de gewenste wisselkoers van de toekomstige Europese munt ten opzicht van andere internationale valuta zoals de dollar. “Doelstellingen van overheden voor wisselkoersen beperken de ruimte voor zelfstandig monetair beleid gericht op prijsstabiliteit”, zei hij.

Schlesinger stemde van harte in met de oplossing die vorige week op de bijeenkomst van de ministers van financiën in Apeldoorn is gevonden om op 1 januari 1994 een Europees Monetair Instituut (EMI) op te richten. Dit zal de voorloper worden van de Europese Centrale Bank die op een later tijdstip, waarschijnlijk in 1997, zal gaan functioneren zodra landen daadwerkelijk hun financiële reserves bundelen, hun nationale monetaire beleid overdragen en hun wisselkoersen onlosmakelijk aan elkaar koppelen.

Maar dit EMI zal zo min mogelijk gewicht krijgen, aldus Schlesinger. Zolang de centrale banken in een aantal EG-landen - zoals Frankrijk Italië en Groot-Brittannië - niet volledig onafhankelijk zijn van hun nationale regeringen is het uitgesloten dat zij als deelnemers in het EMI zeggenschap kunnen uitoefenen over het monetaire beleid van landen met onafhankelijke centrale banken, zoals Duitsland en Nederland. “Er mag geen beslissingsprocedure ontstaan waarbij de stemmen van afhankelijke en onafhankelijke centrale banken een gelijk gewicht hebben”, zei hij.