Plannen volgende week naar raad; Amsterdam wil subsidie Filmhuis volledig stoppen

AMSTERDAM, 28 SEPT. De gemeente Amsterdam wil de subsidie aan het Amsterdams Filmhuis Rialto-Rivoli volledig beëindigen. Het Filmhuis, dat nu een jaarlijkse subsidie van 24.000 gulden ontvangt, had voor de periode 1993-"96 een subsidie gevraagd van 150.000 gulden. Maar wethouder Baak van cultuur wijst die aanvraag af in een nu nog vertrouwelijk stuk, dat aanstaande dinsdag naar de gemeenteraad wordt gestuurd. Daarin zal de wethouder ook een eerste reactie geven op allerlei andere plannen die de Amsterdamse kunstwereld had ingediend voor de komende nieuwe Kunstenplanperiode. De Amsterdamse Kunstraad moet nog adviseren over alle voorlopige voornemens van de wethouder.

Het Amsterdams Filmhuis, dat zich toelegt op vertoning van de nieuwe "kunstzinnige' film, had om een fors hogere subsidie gevraagd om de programmering inhoudelijk op peil te kunnen houden. “Schuldenvrije exploitatie van het Filmhuis is onmogelijk gebleken. Dat heeft de wethouder ook impliciet toegegeven door ons begin dit jaar een lening van 70.000 gulden te verstrekken om het opgelopen tekort te lenigen”, zegt directeur Raymond Walraven. De 24.000 gulden die het Filmhuis sinds 1985 krijgt is slechts bedoeld om de huur van de bioscoop aan de Ceintuurbaan te kunnen betalen. In 1989 verstrekte de gemeente nog een eenmalige subsidie van 300.000 gulden voor een ingrijpende verbouwing.

Wethouder Baak vraagt de Amsterdamse Kunstraad advies over de subsidieaanvragen van het Amsterdams Filmhuis en de bioscoop Kriterion voor een verbouwing. Verder wil ze advies over de subsidie van filmvertoningsprojecten en festivals in het algemeen, “uiteraard met speciale aandacht voor Cinekid en het International Documentary Film Festival Amsterdam.”

Wethouder Baak noemt in haar stuk de stelling van het Filmhuis dat Amsterdam te weinig aan film doet “dubieus”. “Mijn indruk is dat de situatie van de Amsterdamse filmvertoning inderdaad een bijzondere is. Het Amsterdamse bioscooppubliek zou groot genoeg moeten zijn om de vertoning van kwaliteitsfilms zonder gemeentelijke exploitatie- of investeringssubsidie mogelijk te maken. Hoe die vertoningsplaatsen worden genoemd (bioscoop, filmtheater, filmhuis) en hoe die films genoemd worden (commercieel, kunstzinnig) doet niet ter zake”, schrijft Baak.

Verder schrijft de wethouder dat zolang niet is vastgesteld dat vertoning van kwaliteitsfilms aan Amsterdam voorbij dreigt te gaan, zij geen reden ziet om via subsidie van bepaalde vertoningsplaatsen een onjuiste concurrentie ten opzichte van andere vertoningsplaatsen (de kwaliteitsbioscopen) in het leven te roepen. “Dat in een vrije markt vertoningsplaatsen komen en gaan acht ik niet meer dan normaal.”

Walraven zegt dat de al eerder gedane suggestie van oneerlijke concurrentie moet ophouden. “Contacten met de "kwaliteitsbioscopen' Movies, Cinecenter, De Uitkijk, Alfa en Desmet wezen uit dat zij subsidiëring van het Filmhuis beslist niet afwijzen. Zij komen immers financieel niet toe aan wat daar vertoond kan worden. Zij vertonen de kwaliteitsfilm waarvoor een groot publiek bestaat. Daar streven wij niet naar.”

Als het Filmhuis inderdaad geen enkele subsidie meer krijgt, zal er volgens Walraven “geen enkele "moeilijke' film meer in Amsterdam te zien zijn. Dan sneuvelt zestig procent van onze programmering. Met de veertig procent die overblijft kun je geen bioscoop draaiende houden.”

Zonder enige vorm van subsidiëring zal ook een eind komen aan de huidige samenwerking met instellingen als het Goethe Instituut en de Rotterdamse Kunststichting. “De afdelingen film van het Shaffy-theater en De Melkweg zijn al verdwenen, dus wanneer ook het Filmhuis verdwijnt, zal het afgelopen zijn met de ruimte voor alternatieve programmering in Amsterdam”, aldus Walraven.