Nom de plume

Over de Japanse anemoon kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat zij niet uit Japan komt. Het is waar dat de Europeaan die haar het eerst beschreef haar in Japan had ontdekt; dat was dr. Andreas Cleyer, in dienst van de VOC in Nagasaki. Van 1662 tot 1668 zat hij opgesloten op het eilandje Desjima, de Nederlandse handelspost in Japan, en je stelt je voor hoe hij die plant vindt en droomt over de onontdekte botanische wonderen in dat land.

Hij kon niet weten dat zij daar niet in het wild voorkwam: hoogstwaarschijnlijk is zij door de Chinezen, die ook een vestiging hadden in Nagasaki, meegebracht uit China, waar zij al sinds lang gekweekt werd als tuinplant. Zij werd daar tot de pioenenfamilie gerekend, zoals wel meer planten die in hoog aanzien stonden (in Europa zijn bepaalde planten om analoge redenen wel als lelies beschreven); Wang Xiangjin (1561-1653), een teleurgestelde ambtenaar uit Shandong, die troost zocht in de botanie, beschreef haar in zijn Junfang pu (Optekening van alle planten, ca. 1625) als volgt: ""De herfstpioen is een woekerplant. Haar bladeren zijn als die van de pioen, maar kleiner, haar bloemen lijken op de paarse kraanvogelveren (veren? de Chinese tekst is onduidelijk) van de chrysant, met een geel hart.''

Als gevolg van de handelsrelaties van Nagasaki met China en Nederland (op Desjima, uitsluitend bewoond door vreemdelingen - dierlijke en plantaardige - groeiden in Von Siebolds tijd zelfs bomen uit Zuid-Amerika) kunnen planten die daar in de buurt werden aangetroffen, hoe ingeburgerd zij ook mochten lijken, niet noodzakelijk als in Japan inheemse planten worden beschouwd. In Japanse tuinen werden veel Chinese tuinplanten gekweekt; deze anemoon, groot met halfgevulde paarsachtige bloemen (of kraanvogelveren) was er ongetwijfeld een van.

De eerste Japanse anemoon die levend het Westen bereikte, was afkomstig van Robert Fortune, die haar in 1844 naar de Royal Horticultural Society in Londen had gestuurd. Hij vond haar groeiend "tussen de graven van de inboorlingen' rond de stadswallen van Shanghai. ""Zij bloeit in november wanneer andere planten zijn uitgebloeid'', schreef hij, ""en is een zeer passend ornament voor de laatste rustplaats der gestorvenen''. Zij is nu bekend als Anemone hupehensis japonica; de oorspronkelijke enkelbloemige wilde vorm was namelijk gevonden in de provincie Hubei (Hupeh in de oude spelling) door een Italiaanse missionaris, Cipriano Silvestri, en geregistreerd als A. hupehensis in 1910.

De Japanse anemoon uit Hubei, China: een merkwaardig tegenstrijdige benaming (iets als Anemone groningensis britannica) en je vraagt je af hoe dat de naamgevers zo lang ontgaan kan zijn.

De geschiedenis van die naam is in feite nog barokker: door Thunberg (die ook enige jaren op Desjima heeft doorgebracht) werd zij in 1784 eerst Atragene japonica gedoopt en pas enkele decennia later werd zij terecht als een anemoon geïdentificeerd. En toen kon zij, volgens Stephen G. Haw (in Hortus 14, Zomer 1990) niet meer tot Anemone japonica worden herdoopt, ""omdat die naam al eerder aan een andere plant was gegeven'' (jammer genoeg zegt hij er niet bij welke). Maar tuiniers kennen haar in hun gelukzalige onwetendheid meestal als Anemone japonica L. en dat is de naam, hoe onjuist ook, die je in de meeste boeken vindt (soms wordt zij beschreven als de A.j. "of gardens', een uitdrukking die iets betekent als: "naam gebruikt door botanisch ongeletterde personen die zich in feite inlaten met het planten zelf'.

Hoe het ook zij, de ware Anemone hupehensis japonica is tegenwoordig zeldzaam; wat in onze tuinen groeit zijn voornamelijk hybriden (Anemone x hybrida) die het resultaat zijn van kruisingen met een andere Chinese anemoon, (A. vitifolia, met witte bloemen, overgebracht uit Nepal door Lady Amherst omstreeks 1829. De oorspronkelijke kruising was Anemone x elegans, die lichtroze bloemen heeft; deze werd geïntroduceerd in 1848, d.w.z. vier jaar na de aankomst in Engeland van het exemplaar van Robert Fortune. Het moet vrijwel meteen zijn gebeurd: Vlug, zei iemand, laten we haar ergens mee kruisen. Jawel, maar waarmee? Wat zou je zeggen van Anemona vitifolia? Ja, geweldig! en zo gebeurde. Hoewel A. vitifolia uit de Himalaya komt waren de eerste introducées in Engeland niet volkomen winterhard; zo zullen ze wel op de gedachte zijn gekomen. Maar het kan ook bij toeval zijn gebeurd.

In elk geval is de mooiste Japanse anemoon zeker door toeval ontstaan. Monsieur Jobert uit Verdun-sur-Meuse ontdekte omstreeks 1851 tot zijn verrassing dat een worteluitloper van zijn plant zuiver witte bloemen voortbracht inplaats van roze. Zoiets heet een "sport' en het moet even verbazend (en onbegrijpelijk) zijn als wanneer er aan een tak van je appelboom opeens pruimen blijken te zitten. M. Jobert had iets goeds te pakken: hij zette de uitloper apart, vermeerderde hem en bracht hem op de markt onder de naam van zijn dochter, Honorine.

Deze "Honorine Jobert' is de variëteit die ik in mijn tuin heb; zij stond op de allereerste lijst waarmee ik ooit naar een kwekerij ging. Ik had er in feite nooit een gezien maar was begeesterd door de beschrijving van Margery Fish in Gardening in the shade ("de mooiste van alle, vind ik'); ik moest er een hebben. Drie ervan werden vorig voorjaar geplant en ze deden het heel behoorlijk; er kwamen een paar bloemen aan, maar de bloeitijd duurde niet zo lang als ik verwacht had. Maar dit jaar is een ander verhaal: die drie planten zijn zeker verdubbeld in omvang, met massa's driepuntige donkergroene bladeren die op elegante wijze over de rand van het bed hangen. Toen kwamen er steeds meer bloemstengels en nu is er een heel woud van bloemen; ik raakte al gauw de tel kwijt.

De bloemen zelf zijn van de beste soort wit, diep wit, als dat voorstelbaar is, en niet het schrale, dunne wit dat uit een papierfabriek lijkt te komen, maar dat zelfs de natuur kan voortbrengen (bv. Viburnum plicatum "Watanabe'). Hun stengels rijzen een voet boven de bladeren uit, een meter boven de grond, en zelfs in onze tuin waar zowat alles op krukken loopt hoeven ze niet ondersteund te worden. De meeldraden zijn goudkleurig, en zowel in kleur als in vorm het perfecte contrast met de bloembladen. Vorig jaar zag ik ergens in een tuin de roze variëteit; het is niet te ontkennen dat die mooi is, maar "Honorine Jobert' steekt ze moeiteloos naar de kroon. E.A. Bowles vond dat "Honorine Jobert' alleen werd overtroffen door Rose bracteata; maar ik heb er nooit een gezien en kan er dus gelukkig niet over oordelen.

Mijn Japanse anemomen staan in bloei sinds midden augustus en alles wijst erop dat zij daar nog wel een maand mee zullen doorgaan; ze kwamen terecht op een plek die wat zonniger bleek te zijn dan ik dacht, hetgeen vermoedelijk verklaart waarom ze zich zo goed weren. Ze kunnen tegen schaduw, maar bij een vriendin die ze in een zeer beschaduwde plek heeft zijn ze veel later gaan bloeien dan bij mij.

Net als Wang Xiangjin 350 jaar geleden beschrijft Margery Fish de Japanse anemonen als grote "runners', hetgeen ik kan bevestigen, ziende met welke vaart ze bij mij in opmars zijn. Het is interessant dat de oorspronkelijke Chinese variëteit volgens haar de meest enthousiaste woekeraar is; dat was zij in Nagasaki in de zeventiende eeuw kennelijk ook al. Bij mij mogen ze naar hartelust hun gang gaan: wat is mooier dan een heel bed van Chinees-Japans-Engels-Franse kraanvogelveren in een tuin in Zuid-Holland?