Nieuw toneelgezelschap in Groningen; "Het theater hier moet provincie ontstijgen'

Met ingang van dit seizoen is Evert de Jager (1955) artistiek leider van het Noord Nederlands Toneel in Groningen, voorheen De Voorziening. "De grote zaal moet weer een brandhaard van vernieuwing zijn", is een van zijn idealen. Vanavond gaat in de Schouwburg van Groningen de eerste voorstelling van het nieuwe gezelschap in première, Roberto Zucco.

Evert de Jager acteerde onder regisseurs als Franz Marijnen en George Tabori voordat hij aan het begin van dit seizoen het artistiek leiderschap aanvaardde van het Noord Nederlands Toneel. In 1978 studeerde hij af aan de Toneelschool van Maastricht. Later kwam hij terecht bij F Act, waar hij Karst Woudstra ontmoette.

Karst Woudstra regisseert de openingsvoorstelling van het Noord Nederlands Toneel, Roberto Zucco van Bernard-Marie Koltès. Evert de Jager is een van de acteurs in de voor Nederland unieke cast van meer dan twintig spelers.

Hoe verenigt Evert de Jager zijn werkzaamheden als acteur met die van artistiek leider? De Jager: “Hier is het de gewoonte dat een artistiek leider een groot deel van de regies voor zijn rekening neemt. Het is nooit mijn bedoeling geweest regisseur te worden. Daarvoor vind ik mezelf te onervaren. Een regisseur moet een zekere leeftijd en vorming bezitten. Mahler dirigeer je ook niet onder je veertigste. De huisregisseurs van het nieuwe gezelschap hebben allen een authentieke stijl. Niet alleen Woudstra, ook Paul Vermeulen Windsant, Teuntje Klinkenberg, Franz Marijnen of Albert Lubbers. Wat ik te vaak zie in het toneel is een truc, uitgesmeerd over een voorstelling. Dat wil ik niet. Dan gaat het niet langer over de wereld van een schrijver of de waarde van een acteur, maar om een voorstelling esthetisch, onderhoudend of provocerend te maken. Dat is zieltjeswinnerij, waarvan de toeschouwer uiteindelijk de rekening krijgt gepresenteerd. Ik wil het spelen van het stuk als serieus uitgangspunt nemen."'

Authenticiteit is een begrip dat makkelijk tot misverstanden leidt. Voor Evert de Jager betekent het dat een acteur zijn spel relateert aan zijn persoonlijke situatie in het leven, zonder dat de toeschouwer regelrecht en privé in zijn hart kan blikken. Het gaat om de spanning die ontstaat tussen het particuliere leven van de acteur en de manier waarop hij gestalte geeft aan een personage. De Jager: “Theater is een archaïsch medium. Je maakt een fout er willens en wetens iets anders van te maken, want dat zie je elders altijd beter. Zoals in de film. Iemand die een toneelstuk schrijft doet dat in het besef van de onvoorspelbaarheid van het theater. De toevalsfactor is hoog; de auteur weet vantevoren niet hoe de zinnen klinken op de Bühne, evenmin op welke manier de stilte tussen de zinnen betekenis krijgt. Dat maakt de hoge waarde van het toneel uit.

“Ik wil meemaken wat er met mensen op het toneel gebeurt. Geen theoretisch discours, wel werkelijke emoties. Ik ben mateloos geïnteresseerd om een personage op het podium te zien die veertig jaar achter de rug heeft en nog twintig in het verschiet. En van dat hele leven vang ik een glimp op die drie uur duurt. Een fragment. Het gaat erom de wereld achter dat fragment duidelijk te maken. Ik krijg compassie met het personage."

Evert de Jager zag ik ooit een krachtige, geëmotioneerde rol spelen als Jason uit Medea in de regie van Tabori. Hij benadert zijn functie van het Noord Nederlands Toneel vanuit de optiek van de toneelspeler die, volgens hem, de grote zaal weer moet gaan veroveren: “Naarmate een acteur ouder wordt en zijn ijdelheid verliest, krijgt hij de wil en bereidheid het gedachtengoed van een auteur te vertegenwoordigen. Acteren is ontstaan uit het vertellen van verhalen. In Nederland heb ik veel onbeschermde talenten, die jarenlang 400 procent gaven, ten onder zien gaan. Opgebrand op hun veertigste. Ze hebben hun leven kapot geklemd. Mede door de keuze van mijn regisseurs probeer ik aan jonge spelers de mogelijkheid te bieden ervaring op te doen, vooral voor de grote zaal. Die moet weer de brandhaard van vernieuwing worden. Daar moet een acteur of actrice alles intenser poneren. Dat betekent niet alleen het spel uitvergroten, ook het schaamtegevoel jegens de medespeler opheffen. Er zijn in Nederland te weinig regisseurs, niet meer dan tien, die de grote zaal aankunnen. De meesten zijn noodgedwongen blijven kleven aan het kleine circuit, waar je slechts een sjabloon van een voorstelling ziet. Tsjechov bijvoorbeeld moet je met een volledig ensemble kunnen spelen, dan ervaar je als toeschouwer pas alle verhoudingen, en zo Tsjechovs wereld. Dus niet het spel concentreren tussen enkele belangrijke spelers, omdat het formaat van de zaal dit dicteert.

“Het Nederlandse cultuurbeleid zou erop gericht moeten zijn om ensembles te creëren. In Groningen probeer ik een sfeer te laten ontstaan waardoor acteurs werkelijk gezamenlijk een voorstelling maken, waardoor zij na de ene produktie graag in de startblokken willen voor de volgende. Ik hoop dat er op die manier een band met de stad ontstaat. Ik ben als de dood voor het feit dat spelers zomaar op het koord worden gegooid. Ze hebben besef van veiligheid nodig. Lukt het deze avond niet, dan morgen. Permanente hoogspanning onstaat wanneer er geen hechte groep is: dan zijn ze teveel aan zichzelf overgelaten en vernietigen ze zich uiteindelijk."

Evert de Jager beschouwt de stad Groningen als een belangrijke plek om te werken. “De voorstellingen hier, met die van de gelijkwaardige voorzieningen in Arnhem of Eindhoven, moeten aan hun provincialiteit ontstijgen en kunnen wedijveren met Amsterdam of Den Haag. Ik wil theater maken dat groter is dan de stad. Daartoe heb ik tijd nodig, en alsjeblieft meer dan de vier jaar van WVC. Zeven is het absolute minimum. Dat is een heilig aantal. Theater moet het ijkpunt aan een samenleving schenken. Het zou weer moeten zijn als altijd: een antwoord geven op de filosofische vragen die in een bepaalde tijd leven."