Niet samen

Het komt meer en meer voor dat ik ergens ben, hotel, restaurant, vakantie-oord en vervolgens schroom erover te schrijven, bang dat iedereen erheen zal gaan - want ik stam nog uit de groep die niet "op elkaar' wil zitten.

Gek genoeg is die groep niet eens zo groot.

Wie bij een camping komt met enige mooie natuur, vindt gegarandeerd een stil plaatsje bij het idyllische meertje, want dat meertje ligt 200 meter verderop en iedereen wil juist graag aan de ingang staan, vlakbij de douches, de kampwinkel, de telefoon en het barretje. Meestal staan ze ook nog ingeklemd tussen heel aardige Duitsers die er drie jaar geleden ook stonden en een gezellig echtpaar met net zo'n hond als zij, uit Eefde. Door het jaar heen zien ze mekaar niet, maar in de vakantie klitten ze op hetzelfde plekje bijeen en eten ze om de beurt bij mekaar want de imperiaal ligt toch hartstikke vol bintjes en blikjes. Niet dan?

Alles is net zoals thuis.

Dus gaan de tafeltjes en de stoeltjes en de kleedjes en de valletjes en de schilderijtjes en het pannelappen-droogmolentje mee. Pindaatje derbij. Pilsje zo uit de koelbox. Hè, gezellig. ""En vanavond moeten we 't maar niet te laat maken, Gé, want het was gisteravond weer bal.''

""Ja, Petie.''

Maar ach, het is je vakantie moet je maar denken.

Wat willen wij dan eigenlijk?

Wij willen weer plekken waar weinig toeristen zijn, waar het rustig is en waar je eventueel lekker kunt eten of logeren. Maar geen mensen a.u.b. Geen drommen. Geen groepen. Twee mag, misschien vier, hooguit zes.

En als er één krant is die door die niet-bij-mekaar-groep gelezen wordt, is het NRC Handelsblad. Dus als ik weer over een enig klein kittig oh zo leuk hotelletje in Noord-Frankrijk schrijf, is de kans groot dat ik er tweede kerstdag niet kan eten, vanwege lezers die ook op dat idee kwamen.

(Ik moet even stoppen met schrijven. Er moeten halve pinda's gegeven worden aan de huishagedis die net midden in dit stukje komt bedelen. Vraag: waarom slijt bij een hagedis de onderkant van lijf en staart niet open terwijl hij toch met grote snelheid over puntige steentjes weet te rennen? Dat ik überhaupt nog dit stukje schrijf mag een wonder heten: eergisteren negentien uur onderweg geweest, bijtanken in Bangor, een National Guard-vliegveldje, in Maine, en alles, en ondertussen zeer verkouden geworden. Hoest, neus, ijzeren kop. Zes uur naar bed, tossing and turning, de gehele nacht een circusact van een uur moeten instuderen in de droom en nu dus toch schrijven, want the show must go on of zoiets).

Terwijl de meeste mensen zich conformeren aan elkaar, willen wij dat niet. Daarom is het woord exclusief zo misbruikt in de reclame. Terwijl de meeste mensen in een Ford of een Opel rijden, willen wij juist in merken waarin niemand rijdt, hooguit een oplettende minderheid. Wij willen voor twee keer de vliegprijs in Business Class reizen, omdat de stoelen daar groter zijn, meer naar achteren kunnen en omdat je om een glas champagne kunt vragen. Ik ken een mevrouw die elke maand van Engeland naar Australië vliegt en weer terug. Ze vliegt Business Class (of Club Class of Comfort Class, hoe het ook moge heten), maar ze raakt het voedsel niet aan, nee, ze heeft een picknickmandje bij zich met heerlijke sandwiches, yoghurts, vruchten en allerlei andere lekkere dingen waar zij van houdt - en waarmee ze dus danig de ogen uitsteekt van andere passagiers. Dat is nu recht exclusief reizen. Nee zeggen tegen aangeboden voedsel, voor Nederlanders een hele opgave.

Terwijl een Belgische lezer laatst schreef dat hij ongaarne naar Nederland reist omdat de trein in Roosendaal ineens vol loopt met onbehouwen mensen in veelkleurige, geblokte joggingpakken die hun voeten op de bank leggen, zo willen wij, onze groep dus, niet dood worden aangetroffen in zo'n glimmend speelpakje of met wit-zwarte klompgympen tot over de enkel, de zachte skischoen-zonder-ski's.

Wat wij willen is juist het onopvallende van Cerutti of Lanvin, de Polo-spijkerbroek, en juist niet de BMW of de Ferrari. Onze Gucci-loafers moeten eruit zien alsof ze twee zomers geleden zijn aangeschaft en we kopen onze overhemden bij The Gap, Abercrombie & Fitch, Hawkes & Gieves of desnoods bij de Hema. Lacoste is uit, The Gap en J. Crew zijn in. Liever een namaakhorloge uit 1940 dan een Rolex, Seiko of Cartier (we willen dat ook niet betalen). Schoenen van Oliver Sweeney, MacAfee of Weston. We verzamelen postzegels uit Togo waar er maar 23 van zijn (23 totaal, 23 zegeltjes) en we proberen het kleintjes te houden om ons heen.

(Vanmiddag zag ik een vis die ik nog nooit eerder zag: de grootte van een volwassen papegaaivis, maar geel met een blauwgrijze rug, die er als het ware afdruipt, met omlaaghangende punten. Ik weet met enige zekerheid dat niemand die vis ooit heeft gezien).

Amerikanen willen graag in grote hotels (ik bezocht zojuist de drie grootste ter wereld: Excalibur, Las Vegas Hilton - van het liedje "Do you know where I'am calling from?' - en The Flamingo Hilton) en eten graag in grote restaurants. Duizend zitplaatsen is geen uitzondering. Wij willen juist in kleine hotels, kleine restaurants. Waarom zou dat toch zijn?

Misschien is er iets mis met ons.