Kampslachtoffers blij gemaakt met dooie mus; Japan beschikt niet over een universeel normatief beginsel

Onder veel publiek rumoer heeft de georganiseerde beweging van slachtoffers der Japanse gevangenkampen uit de Tweede Wereldoorlog althans naar de schijn succes behaald. De regering is immers tegemoetgekomen aan haar eis de kwestie van schadevergoeding door Japan niet als afgedaan te beschouwen. Japan zal er blijkbaar weer eens op gewezen worden dat het er iets aan behoort te doen. Wat precies? Dat is niet recht duidelijk. De vraag is intussen wat de regering mag hebben bewogen af te zien van haar eerder ingenomen standpunt de zaak te laten rusten. Oprecht medeleven met de slachtoffers? Mogelijk.

Behoefde de commotie in eigen land naar aanleiding van het bezoek van premier Kaifu omwille van de politieke rust en met het oog op het aanstaande koninklijke staatsbezoek aan Japan zo gauw mogelijk althans tijdelijk te bezweren? Waarschijnlijk. De reële verwachting dat haar stappen bij Japan werkelijk resultaat zullen boeken? Vast niet. En daarmee heeft het er veel van weg dat de regering de kampslachtoffers blij heeft gemaakt met een mus die zo dood is als een pier. In rond Nederlands heet dat boerenbedrog. De kans is groot dat eerlang zal blijken dat de zaak zodoende alleen maar erger is gemaakt dan zij al is. Dan komt er dus voor de zoveelste maal gedonder in de glazen. 't Is hetzelfde verhaal als met de "drie', c.q. "twee', van Breda tot de regering ze onverhoeds - maar goed voorbereid - liet vliegen.

Wat is immers het geval? Japan zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen gehoor geven aan het verzoek of de eis in kwestie. Indien dit zo is, rijst de vraag of dit Japan kwalijk te nemen valt. Maar daaraan vooraf gaat weer de vraag of dit niet voorzienbaar was en of de Nederlandse aanspraak wel redelijk is. Gegeven de emotionele gekwetstheid van veel slachtoffers valt niet te rekenen op nuchtere redelijkheid hunnerzijds. Maar de zaak gaat niet alleen hen aan. In het geding zijn ook de Japans-Nederlandse betrekkingen. Deze raken, zeker gegeven het internationale gewicht van Japan, ook de andere Nederlandse staatsburgers. Zij mogen van hun regering verwachten dat die haar besluitvorming wel degelijk op redelijke afwegingen baseert. Maar in dit geval lijkt zij niet verder te hebben gekeken dan haar neus lang is. Juridisch lijkt de Nederlandse zaak nauwelijks te verdedigen. Het gaat in elk geval niet aan Japan te brandmerken als de brute agressor die het Koninkrijk der Nederlanden onverhoeds en achterbaks heeft aangevallen. Het was tenslotte niet Japan dat Nederland de oorlog verklaarde. Het was integendeel de gouverneur-generaal van de Nederlands-Indië zelf die uit naam van de Nederlandse regering te Londen Japan de oorlog aanzegde. In hoeverre dat juridisch in kannen en kruiken was, moet hier in het midden blijven. Feit is in elk geval dat Nederland door geen verdrag of overeenkomst gehouden was de Japanse aanval op een derde mogendheid - in dit geval de Verenigde Staten - te beantwoorden met oorlog. Trouwens, het handels- en betalingsembargo van Japan dat de Nederlandse regering, in onverplichte aansluiting op de Amerikaanse politiek, al in juli 1941 tamelijk ondoordacht en roekeloos had afgekondigd stond reeds op gespannen voet met haar officieel beleden neutraliteit en vreedzaamheid. Zelfs L. de Jong, die men moeilijk van sympathie voor Japan kan verdenken, meende dat dit land zodoende het mes op de keel was gezet. Maar vooruit. Naderhand zijn onder Nippons vlag strafbare oorlogsmisdaden begaan. De slachtoffers verdienen schadeloosstelling. Wat dit betreft zijn echter eerder regelingen getroffen. Het lijkt uitgesloten dat Japan er nog op zal terugkomen daar het in redelijkheid kan beweren aan zijn verplichtingen uit dien hoofde te hebben voldaan.

Resteert de schuldvraag over de boeg van moraal en ethiek te gooien - iets waarop de Nederlandse natie van Onze Lieve Heer patent heeft ontvangen en waaraan ze zich dan ook telkens met haast ziekelijke ijver overgeeft. De historische rechtvaardigheid (bestaat zoiets wel?) verlangt dat Japan zowel zijn spijt betuigt als met klinkende munt over de brug komt en wel zodanig dat Nederland zegt dat het welletjes is. Nu kan de Nederlandse mug de Japanse leeuw wel prikken, maar niet dwingen. Wie zich daarnaast bezint op de consequenties daarvan zal al gauw de onredelijkheid van deze eis inzien - precies zo onredelijk als het bevel aan de kampgevangenen diep te buigen voor Nippon en tenno Hirohito. Het betekent tenslotte dat Japan zijn gedrag niet aan de eigen maatstaven maar aan Westerse normen, in het bijzonder Nederlandse, moet toetsen.

Men hoeft geen groot kenner van de Japanse geschiedenis en cultuur te zijn om te zien dat de kans op een Japanse schuldbekentenis in deze zin praktisch gezien nihil is. Daarmee zou Japan namelijk zijn identiteit of wat het daaronder belieft te verstaan op het spel zetten. Alleen voor wie zich overtuigd houdt van de slechtheid der Japanners, hun kwade wil, hun minderwaardige normen, hun duistere onbetrouwbaarheid en hun onverbeterlijke verdorvenheid zal dat niet teveel gevraagd vinden. Waarom zou van Japan immers niet hetzelfde mogen worden verwacht als van de Verenigde Staten? Die hebben dan toch maar na tientallen jaren een flinke som geld betaald aan de Amerikaanse gemeenschap van Japanse origine die tijdens de oorlog zonder aanzien des persoons in inteneringskampen was gestopt?

Maar deze vergelijking gaat om vele redenen mank. Zij gaat om te beginnen voorbij aan het feit dat de Amerikaanse oorlogsmaatregel in strijd was met de grondwet. De geïnterneerden waren Amerikaanse staatsburgers en ingezetenen. Hun gemeenschap werd eenvoudig geruïneerd, heet het letterlijk in de jongste studie daarover. De inbreuk op hun grondrechten, die onder de geheel onschuldig betrokkenen grote psychische en wel degelijk ook flinke materiële schade - ettelijke honderden miljoenen dollars - veroorzaakte, was bovendien geheel en al overbodig en had niets te maken met concrete oorlogsgevaren. Eén en ander wortelde in racistische vooroordelen en de bestaande, ook legale, discriminatie van Aziaten; de burgerij van Duitse en Italiaanse origine werd ongemoeid gelaten. De paniek en het militaire onbenul van leidende generaals. bureaucraten en politici maakten de maatregel mogelijk. Machinaties van president Roosevelt en zijn staf zorgden uit electorale motieven voor de verlenging daarvan - ook nadat al lang duidelijk was dat er geen enkel oorlogsbelang mee was gediend. Via acties, juridische processen en hoorzittingen zag de Amerikaanse regering zich ten slotte gedwongen zuinigjes schuld te bekennen en te beginnen met 1990 in tien jaar tijd een schadeloosstelling te betalen. Wie van de méér dan 100.000 slachtoffers is anno 2000 nog in leven? Westerse normen? Soms zit daaraan ook wel eens een steekje los.

De Japanse cultuur is bovendien de Amerikaanse niet. Voor de buitenstaander zijn Japanse normen en waarden vaak moeilijk navoelbaar, niet in de laatste plaats doordat zij zich in paradoxale tegenstellingen manifesteren. Daarover is zowel in het Westen als Japan al heel wat gezegd en geschreven. Men kan het betreuren of niet, feit is dat, naar het woord van een heus kenner als Ian Buruma, Japan nu eenmaal niet beschikt over een universeel normatief beginsel van hetzij religieuze of rationele aard. In de plaats daarvan fungeren dwangmatige sociale gedragsregels. Zij laten weinig of geen ruimte aan individueel handelen. “Jezelf zijn is geen Japanse deugd”, stelde Buruma vast.

Norm is de eigen groep, de eigen samenleving. Groep en samenleving fungeren bij de gratie van hun uiterlijke harmonie die elke deelhebber ongeacht zijn plaats en functie omvat. Maar plaatsen en functies binnen groep en samenleving verschillen wel degelijk, zodat het geheel alleen door een strikt hiërarchisch verband bijeen wordt gehouden. Deze hiërarchie is vastgelegd in allerlei symbolen, rituelen en ceremonieën. Wie er aan wil ontsnappen vlucht door de uitlaatklep van het spel om de taboes van de werkelijkheid overeenkomstig min of meer vaste schablones te doorbreken. De bloedige schijn van gefantaseerd bruut geweld treedt dan al gauw in de plaats van de grauwe harmonie die is opgelegd door de werkelijkheid.

Dit alles is toch wat minder buitenissig dan het misschien lijkt. Japan verschilt in dit opzicht namelijk niet zo veel van ons eigen verzonken middeleeuws verleden zoals Johan Huizinga dat weer tot leven heeft gewekt. Zie ook zijn Homo Ludens. Intussen wordt het naar buiten toe harmonische gedrag gewaarborgd door strikte gedragsregels, sancties en beloningen. Het cruciale punt is dat zij haast per definitie niet van toepassing zijn op vreemden, buitenstaanders en vreemdelingen. Die verstoren namelijk alleen maar de harmonie. Men hoeft met hen dus ook geen rekening te houden. Goed en kwaad zijn zo beschouwd waarden van tamelijk ondergeschikte betekenis. Het essentiële verschil is tussen het zuiver en onzuiver, tussen rein en onrein. Voor zondebewust Nederland niet te verteren, maar zo is het nu eenmaal.

Zou premier Lubbers echt over zulke slechte adviseurs beschikken dat zij hem niet duidelijk hebben gemaakt dat een beroep op Japan om het oorlogsleed van buitenstaanders met spijt en pecunia te vergoeden in Tokio en omstreken uiterst beleefd zal worden afgedaan als smakeloze hufterigheid?