IJsselstraat 3, Velp

Verwekt in het vuur van de bevrijding, geboren op 5 maart 1946 in Velp, gemeente Rheden. Mijn grootvader ging aangifte doen, mijn vader was er niet. Hoe vaak ik dat niet heb horen vertellen: ""Toen onze Kobus kwam, zat Henk op de boot naar Indië.''

Mijn moeder, mijn zusje en ik woonden bij mijn grootouders in een duistere halve villa aan de IJsselstraat. Uit die jaren heb ik alleen dingen van horen zeggen. Dat ik iedere man in uniform voor mijn vader hield, bijvoorbeeld. Dat dat dus ook een buschauffeur kon zijn. Dat het soms vreselijk huilen was als we moesten uitstappen. En nu ik hieraan wil toevoegen dat het allemaal toch nog is goed gekomen, vraag ik me plotseling af: is dat zo?

IJsselstraat. Behoedzaam wandel ik heen en weer. Tussen herkenning en twijfel, weemoed en ergernis.

In de tuin van nummer 1 verheft zich een reusachtige rode beuk. Het staat wel vast dat die er altijd geweest is, maar ik mag niet zeggen dat ik me hem herinner. Alleen die enorme schaduw, die woestheid, die vage, bijna niet te benoemen gewaarwording van angst en nieuwsgierigheid . . . bij deze boom begon de buitenwereld!

Naast een oude, boerderijachtige woning zit een vrouw met een puzzelblaadje. Ik doe het hek open, loop door het grind en vraag of ik wat mag vragen; woont ze hier al lang, weet zij nog dat daar een villa stond? Ondertussen speur ik naar het Velpse in haar trekken.

Ze blijkt 85 te zijn. Ze houdt haar arm boven haar ogen voor de zon. Ze zegt dat ik maar een stoel moet pakken en ik ga even de keuken in.

""Dan is jouw opa een keer gestorven met Kerstmis'', zegt ze. ""We hadden een viering in de Poort en toen werd je grootmoeder plotseling weggeroepen.''

""In 1954'', bevestig ik. Dit jaar zou hij 98 zijn geworden. Dus zo gek veel scheelt dat niet eens. De vrouw praat over haar leven en we kijken naar de overkant, waar een villa ontbreekt.

""Ik weet nog'', herneemt ze opeens, ""dat je grootmoeder een kwaaltje had en dat ze een gebedsgenezer liet komen. Toen ze die man weer naar de voordeur bracht, zei ze: en nou maar hopen dat het helpt. Nee, zei die man, nou helpt het niet meer, want je moet niet hopen, je moet geloven.''

Er beginnen namen te vallen. Eimers, Köhler, Van Gein, Slot, Slijper. Namen die iets beroeren in het diepst van je wezen. Namen uit een tijd dat het verband tussen mensen en namen nog zuivere mystiek was. Namen die je van je moeder hebt gehoord. Nu wordt aan elk van deze namen toegevoegd: ""Maar die is ook al dood hoor.''

Alleen de oude Jansen, die leeft nog. Ja, dat weet ik, mijn oom heeft hem deze zomer een keer bij zijn volkstuintje gezien. Maar dat hij nog in hetzelfde huis woont, komt als een verrassing. In zijn groentewinkel zit nu een cafetaria; ik had automatisch aangenomen dat hij was verhuisd. Geen kisten op de stoep, dan is er geen Jansen meer, moet ik hebben gedacht.

Hij blijkt ook 85 te zijn. Zijn tweede vrouw is een stuk jonger. Toch woont ook zij er al sinds 1952. ""En toen heeft je opa hierboven een vaste wastafel geïnstalleerd. Als er wat gedaan moet worden, zei hij, dan zeg je het maar, ik doe alles voor jullie.''

Hij was handig, mijn grootvader. Hij hield van werken. En van gezelligheid. Wat een gezelligheidsdier was die man! En wat mag ik deze dingen graag horen!

We zitten om de tafel in de oude keuken. Telkens weer verzucht mevrouw Jansen dat ze het nauwelijks bevatten kan. Jansen zelf glimlacht maar een beetje. Ik geloof dat hij me niet kan terugvinden.

Hij rijdt nog auto. Een tijdje geleden zijn ze nog naar Zweden geweest om een kennis op te zoeken, een kameraad uit militaire dienst.

Dan schiet hem het kaartclubje te binnen: mijn grootvader, Jansen de groenteboer, Eldik de slager en een zekere Bikkel; die had hier in de straat een boerderijtje, een weilandje met koeien. Die zaten te zwikken dat de stukken eraf vlogen!

""Dan geef ik je op een briefje,'' zeg ik, ""dat mijn vader ook weleens heeft meegedaan''.

Toen ik drie was, kwam hij terug. Je zei: mijn vader is in Indië geweest. Je kon ook zeggen: mijn vader heeft in Indië gevochten. Maar wat hij daar nou precies gedaan heeft?

Het raampje in de achterdeur van een bestelwagentje - dat is eigenlijk het enige wat ik me van het wonen in de IJsselstraat herinner, en dat was de verhuizing. Maar tot opa's plotselinge dood, gevolgd door opoe's verhuizing naar de Graaf Ottostraat, bleven we er natuurlijk komen.

Het huis: een gruwelijk spookachtige gang van keuken tot voordeur, het gat van de trap naar een nog spookachtiger bovenverdieping, de deur naar de kelder, de deur van de poepdoos, de voorkamer met een divan bij de openslaande deuren, harige gordijnen aan grote houten ringen. De radio herinner ik me niet, wel de stem van de nieuwslezer en dat je dan stil moest zijn. En de koffiemolen. Dat je die zo tussen je blote knieën (korte broek!) moest klemmen, dat het laatje er niet uitgleed. Het draaien aan de zwengel, het knarsende verdwijnen van de bonen.

Jansen de groenteboer: de geur in de cabine van zijn vrachtwagen, het gerammel van de motor, de scheuren in de zitting, of nog mooier: een rit op de laadbak; het sjouwen met kisten op de veiling in Arnhem, de markt in Doesburg. Ik moet een lief, misschien wat kleverig kind zijn geweest - ik mocht altijd met iedereen mee.

De IJsselstraat zelf: de polder aan het ene, de bocht naar de Emmastraat aan het andere eind, de slagerij bij het spoor, de dierenwinkel aan de overkant (Werner!), de spoorbomen die met de hand werden neergelaten, stoomlocomotief, eerste, tweede, derde klas, een goederentrein met kratten vol witte kippen, het tellen van de wagons, de absolute triomf als je een lange trein te melden had.