Hoe Oostduitsers ook de democratie overleven

Enkele jaren geleden beschreef Rob Meines, als toenmalig correspondent van NRC Handelsblad te Bonn, hoe verschillende Oostduitsers zich onder Honecker handhaafden: opstandigen, meelopers, autoriteiten. Onlangs zocht hij hen weer op in de voormalige DDR. Wat is er van hen terechtgekomen?

Ralf Bachmann lijdt aan zichzelf. Negenentwintig jaar heeft hij in prominente functies als redacteur en correspondent gewerkt voor het staatspersbureau ADN van de DDR, de nationale en internationale propagandamachine van de communistische Duitse staat. Negenentwintig jaar heeft hij de onvrijheid, de Muur, ""de hele rotzooi hier'', goedgepraat. ""Daarom zal ik er tot mijn dood bedroefd over zijn dat ik al die jaren niet heb geschreven wat ik had moeten schrijven. Daarom schrijf ik nu per dag een halve krant vol.''

De 62-jarige journalist is sinds enkele maanden hoofdredacteur van het dagblad "Nachrichten von Grimma', oplage drieduizend exemplaren, waar hij na de oorlog als leerling begon en dat een paar maanden later door de Russen werd verboden. Grimma, 20.000 inwoners, ligt niet ver van Leipzig. Het verwierf bekendheid doordat Maarten Luther er in 1523 uit het nabijgelegen klooster Nimbschen de adellijke non Katharina von Bora liet schaken, met wie hij twee jaar later trouwde. Met de kloosterruïne en het uit de vijftiende eeuw stammende raadhuisplein hoopt men na de "Wende' westerse toeristen te trekken. De kraampjes op het plein zijn nu voornamelijk nog van Westduitse kooplieden.

Bachmann vindt in zijn vrijwillige verbanning naar de provincie wel iets rechtvaardigs zitten. Hij is na de val van de Muur weliswaar plaatsvervangend regeringswoordvoerder geweest bij de laatste communistische minister-president in het land, Hans Modrow, hij was tot de hereniging een jaar geleden ook nog directeur Mediapolitiek bij CDU-minister-president Lothar de Maizière en hij had ook wel weer een goede baan kunnen krijgen bij een grote krant. Maar mensen zoals hij, vindt Bachmann, moeten van voren af aan beginnen. Hij heeft inmiddels de betaling laten stopzetten van zijn "niet onaantrekkelijke' maandelijkse uitkering als vervroegd gepensioneerd ambtenaar.

Het ergert hem dat in hetzelfde pand aan de Langestrasse waar zijn krant wordt gemaakt de regionale redactie van de Leipziger Volkszeitung is gevestigd. ""Nota bene de communistische partijkrant in het district, waar redacteuren van het oude regime gewoon doorwerken.'' Als we de redactie verlaten om naar de Ratskeller tweehonderd meter verderop te lopen, kijkt hij misprijzend naar de opvallende gevelreclame van het voormalige partijblad. ""Waar ze hun geld vandaan halen... ik kan niets bewijzen, maar vreemd is het wel.'' In het café bestelt Bachmann een ijscoupe; ook die schaarste van veel jaren wil hij goedmaken.

Ralf Bachmann was in de eerste helft van de jaren tachtig als ADN-correspondent in Bonn bij Westduitse politici een veelgevraagd man. Het was de periode, die duurde tot de val van de Muur in 1989, waarin het als electoraal gunstig werd gezien de DDR het hof te maken. Bachmann, zijn collega van de DDR-tv en zelfs die van het partijblad Neues Deutschland hoefden maar te bellen en ze kregen een interview met ieder gewenst prominent persoon. De exponent van rechts, CSU-man Franz Josef Strauss, bracht persoonlijk een miljardenkrediet naar Erich Honecker in Oost-Berlijn. Bondsdagleden, ministers, minister-presidenten van de deelstaten stonden elkaar op de tenen voor het Staatsraadsgebouw om met de sterke man van de DDR op de foto te mogen.

De Westduitsers kusten in die dagen met overgave de handen van degenen die hen dagelijks om de oren sloegen met termen als "imperialisten', "fascisten', "revanchisten' en andere rituele scheldwoorden uit het repertoire van het "reëel bestaande socialisme'. Uiteindelijk kwam zelfs Honecker als buitenlands staatshoofd naar Bonn, waar hij werd ontvangen met eregarde, volksliederen en tafelredes. De herinnering aan die dagen wordt nu in het Duitse regeringskwartier gretig verdrongen, zeker nu Erich Honecker als misdadiger dreigt te worden aangeklaagd.

Bachmann was in de politieke salons van Bonn extra populair, omdat hij minder schichtig en kleinburgerlijk was dan de andere DDR-functionarissen. Hij droeg fatsoenlijke pakken en liet zich ook op privéfeestjes van de klassevijand uitnodigen. Hij was iemand met wie je ook eens aan de tapkast de wereld kon doornemen, zonder het knagende gevoel te hebben dat àlles aan de Staatssicherheit werd doorverteld. ""Je had twee mogelijkheden: of je deed niet mee en je week uit naar het Westen, of je volgde de weg van de aanpassing. Dat laatste heb ik gedaan, altijd met de gedachte dat het aanloopproblemen waren, dat er andere leiders zouden komen, dat het systeem in wezen goed en het verdedigen waard was.''

De momenten waren legio, zegt hij, dat duidelijk was dat de hele zaak op een illusie berustte. Bijvoorbeeld als de redactie van ADN de instructie kreeg niets meer over wortelen te schrijven. ""De oogst was dan weer mislukt en het woord "wortel' was verboden.'' Of als bejaardentehuizen of de restauratie van oude kastelen van het net werden verbannen. ""Ik was gemakzuchtig, was bang mijn privileges kwijt te raken, zoals dienstreizen in het buitenland. Ik had gewoon de moed niet om nee te zeggen.''

Is Bachmann tevreden over zijn eigen situatie, minder tevreden is hij over bepaalde aspecten van de nieuwe verhoudingen. De overwinnaarspose van de Westduitsers ergert hem, de drift alles op te ruimen wat aan de DDR herinnert, zoals de poliklinieken met grote groepspraktijken, de grote boerenbedrijven, de porseleinfabriek in de buurt. Zelfs de broodjes worden plotseling uit het Westen aangevoerd, de Bockwurst uit Westfalen is blijkbaar beter dan die van de eigen slager. ""Ze weten zo precies wat goed voor ons is, daar in het Westen'', zegt hij zacht. Anderzijds verwerpt hij de in zijn ogen soms overdreven nostalgie bij veel Oostduitsers.

Hij vindt voorts dat velen in de democratische structuur zich nog steeds aanpassen aan de - nieuwe - machthebbers. ""Nog maar weinigen durven in de dagelijkse omgang te zeggen wat ze denken, ze blijven bang en voorzichtig.'' En tenslotte: ""Er bestaat geen tolerantie. Mensen met afwijkende opvattingen, afwijkend gedrag, worden hier keihard tegengewerkt. Het zal nog lang duren voordat daar wat aan verandert.'' Het maakt Bachmann neerslachtig: zo'n soort mens heeft het DDR-communisme voortgebracht. Hij moet, zegt hij, maar zo snel mogelijk weer aan het werk: schrijven, schrijven.

Directeur

""Hoe ik in de partij terecht ben gekomen? De ironie van het noodlot'', zegt enkele uren later Klaus Däumer in het nabijgelegen stadje Meissen, dat we via duistere omleidingen hebben bereikt. Toen we hem voor de eerste keer ontmoetten, in september 1984, was hij burgemeester van de stad: een zelfverzekerde partijman met een interessante carrière in het vooruitzicht. Enkele maanden na de val van de Muur moest hij het veld ruimen. Aan de zeer nieuwe, westerse meubelen in zijn appartement, aan zijn modieuze shirt en zijden stropdas is te zien dat het hem niettemin goed is gegaan. ""Inderdaad, ik ben nu directeur van het filiaal van een Westduitse farmaceutische groothandel. Er werken honderddertig mensen. Interessant, zeer bevredigend, betaalt goed.''

Tja, dat met die partij is niet zo makkelijk te beantwoorden. Zijn ouders waren arm en om op de ingenieursschool te komen moest je bij de SED. ""Ik was dus een dienaar van de staat, maar niet vrijwillig, niet zonder grote twijfels en aarzelingen.'' Ja, hij moest ook een jaar naar de kaderschool van de partij, maar tegen zijn zin en onder grote druk. Liever praat de 49-jarige Däumer over zijn jarenlange streven om als burgemeester de verzorging in de stad op peil te houden, om contracten te sluiten met bedrijven.

Maar de partij, Honecker, de Muur, de onvrijheid? ""Ja, die waren er allemaal. Het is echter een misverstand te denken dat je als burgemeester groots werd ingeschakeld bij de besluiten van de partij.'' Alleen als een buitenlandse delegatie de porseleinfabriek bezocht, was Däumer belangrijk, omdat dat in het buitenland werd verwacht. ""Ik wilde wat voor de stad doen, ik was de eerste burgemeester die uit Meissen zelf kwam. Ik ben gebleven omdat er anders iemand zou komen die zonder vreugde ergens was weggeplukt.'' Het burgemeester-in-oorlogstijd-dilemma.

Zijn flexibiliteit heeft hem ook verder niet in de weg gestaan. Toen de Muur viel, riep hij als eerste een "Ronde Tafel' bijeen, zoals dat daarna overal in de DDR geschiedde. Hij trad zonder morren af, het aanbod voor het directeurschap had hij al binnen. Z'n politieke sympathie gaat uit naar de grootste partij in de deelstaat Saksen, de CDU. De manier waarop kanselier Kohl naar vereniging streeft, vindt hij "bijna geniaal'. Inmiddels maakt hij al weer deel uit van de gemeenteraad. Ja, ja, hij weet dat veel mensen zullen zeggen: die Däumer heeft het weer mooi voor elkaar, die oude partijmannen spelen elkaar de bal toe. ""Maar, verdammt noch mal, ik heb er toch jarenlang hard voor gewerkt?''

Leeg

""Iedereen heeft het maar gemunt op de Stasi, maar die partijmannen op hun districtskantoren waren in veel opzichten erger. Ze hielden alles tegen, beslisten alles,'' zegt Jürgen Hübinger. Stasi-mannen kwamen geregeld in zijn zaak als hij weer eens een cabaret had georganiseerd dat ze niet vertrouwden, maar ze werden door de partijleiding gestuurd. "'En als ik de volgende dag op het raadhuis werd ontboden, waren het partijmannen die me op arrogante toon toespraken.''

Hübinger was jarenlang een luis in de pels van het systeem. In de Oostberlijnse wijk Friedrichshagen, ver van de Alexanderplatz en de Westerse toeristen, dreef (en drijft) hij privé een bar-restaurant annex disco. Hij overtrad alles wat Erich Honecker had voorgeschreven, de regels voor het maximale aantal van tien werknemers voor een privébedrijf, de sluitingstijden. Zijn zaak stroomde elke avond vol met Westerse diplomaten, die nu eens niet in West-Berlijn wilden eten, en met journalisten uit West-Berlijn.

Elke keer als hij in moeilijkheden dreigde te komen, kwam het ZDF opnamen maken, en kwam hij er met een waarschuwing af. Friedrichshof was een broeinest van ongenoegen, want hier mengden zich buitenlanders en lokale bevolking. Hübinger vertikte het om naar het Westen uit te wijken, ook toen hij als kernfysicus nog slechts jonge studenten mocht begeleiden. Hogere functies waren alleen voor partijleden. Half uit wraak bouwde hij zijn bedrijfje op, jarenlang de grootste particuliere onderneming in de DDR.

Op de dinsdagmiddag dat we hem, voor het eerst na jaren, weer bezoeken, is zijn zaak leeg. Alleen op het terras zitten wat mensen koffie te drinken. ""De Wende is voor mij tot nu toe catastrofaal, zoals je ziet. De diplomaten zijn weg, de correspondenten zitten in Bonn en de mensen in de DDR hebben hun geld aan auto's, cd-spelers en buitenlandse vakanties uitgegeven.'' En de Westberlijners? ""Ach, mijn zaak heeft het spannende, het exotische van iets verbodens verloren en bovendien kunnen ze hier niet meer met hun zwart gewisselde DDR-marken betalen.''

Haalde hij vroeger op een zaterdag makkelijk 10.000 DDR-marken binnen, nu zijn het er slechts 4.000, terwijl hij nu ook nog voor water en energie duizenden marken per maand moet betalen. ""Ik probeer het uit te zingen totdat de westerlingen weer komen en de mensen hier zijn uitgereisd,'' zegt Hübinger.

Brute tegenwerking

Een soortgelijk verhaal wordt verteld door Dieter Mai, in de Oostberlijnse wijk Johannistal. De nu 66-jarige man nam na de oorlog de slagerij van z'n vader over en slaagde erin deze onder het nieuwe regime als privébedrijf voort te zetten. Het werd gedoogd door de autoriteiten die goed wisten dat Mai en zijn ruim honderd collega's de vleesverzorging in Oost-Berlijn in stand hielden.

Jaren geleden kwam, op het verzoek een privébedrijfje te bezoeken, Mai's naam uit de bus. In aanwezigheid van de meegestuurde begeleider van het Oostduitse Presse Zentrum vertelde Mai een keurig verhaal over de steun die de stad hem had verleend om zijn bedrijf in stand te houden. Een avond later, zonder verdere toehoorders, had hij een heel ander verhaal: brute tegenwerking, slechte vleeskwaliteit, incompetentie van de staatsorganen, partijbonzen die telefonisch bij hem vlees bestelden en het aan de achteringang kwamen afhalen.

""Ik heb net voor 70.000 mark in mijn zaak geïnvesteerd: nieuwe vitrines, tegels, verf, alles wat ik altijd wilde hebben maar nooit kon krijgen.'' Zijn omzet is echter gehalveerd. De klanten komen nog wel, maar zij kopen minder. Het geld gaat op aan reizen, elektronica en aan soorten groenten, fruit en kaas die er vroeger nooit waren. Hij heeft drie mensen moeten ontslaan en werkt veertien uur per dag, samen met z'n vrouw Elke.

Toch is Dieter Mai wel te spreken over de dood van de DDR, ""de staat van kleine en grote Kotzbrocken'', zoals hij het uitdrukt. Voor het eerst in z'n leven wordt hij geconfronteerd met het verschijnsel concurrentie. ""Ik maak nu reclame met vlees en worst zonder chemische toevoeging, zoals wij die hier altijd zijn blijven maken en die ze in het Westen niet meer kennen.'' Als het niet aanslaat, stopt hij er volgend jaar mee. Van de staat krijgt hij duizend mark pensioen per maand.

Poeslief

Heinrich Roth was een van de leiders van het Internationale Presse Zentrum en verantwoordelijk voor alle Westerse journalisten die de DDR wilden bezoeken. Voor buitenlandse journalisten was hij de nooit twijfelende apparatsjik, die je elke keer onderhield over "verdraaiingen en leugens' in de Westerse pers over de DDR. Om Roth kwam je niet heen. Als hij dat nodig achtte, kreeg je buiten Oost-Berlijn geen of slechts oninteressante afspraken. Hij blies hoog van de toren, Heinrich Roth, pesterig en arrogant, totdat hij in juli 1989 ineens poeslief werd en zeer behulpzaam. Vier maanden voor de val van de Muur moet hij de omslag hebben voorvoeld.

Hij moet ook veel machtiger zijn geweest dan hij nu, in een Biergarten aan de Spree, suggereert. Als je aan de grens vastliep, bracht een verzoek aan de aarzelende grensofficier om even met Heinrich Roth te bellen altijd uitkomst. Hij doet joviaal, maar houdt zich bij de nieuwe ontmoeting op de vlakte. ""Ik heb nu een privébedrijfje en ik wil mezelf niet schaden'', zegt hij.

Door alle krampachtig aandoende nuanceringen heen klinkt een oude grammofoonplaat: de Bondsrepubliek heeft veertig jaar lang de DDR alleen maar onderuitgehaald. De DDR ontstond in de Koude Oorlog. Als je de latere ontwikkelingen beschouwt zonder aandacht voor dat aspect doe je de DDR onrecht aan. ""Het uitgangspunt was niet boosaardig of verbeten. We wilden een staat waarin iedereen werkelijk gelijke kansen had.''

De nadruk waarmee hij dit zegt toont aan dat hij er nog steeds in gelooft - als de Bondsrepubliek en andere Westerse landen de DDR maar een kans hadden gegeven. En als Gorbatsjov het land niet rigoureus had laten vallen toen hij het niet meer kon gebruiken. Natuurlijk, sommige ontwikkelingen in zijn land waren geperverteerd tot dogmatisme, de plan-economie tot elke prijs bijvoorbeeld. Maar de kern was goed.

Er was veel verkeerd, maar dat lag vooral aan de leiders. Op het voorlaatste partijcongres wist hij dat het met die leiders fundamenteel fout zat. Daags voor het begin werd in de grote zaal van het Palast der Republik geoefend hoe fotografen tijdens de rede van secretaris-generaal Honecker naar voren moesten snellen, foto's knippen en weer verdwijnen: de indruk van een staatsman moest worden gewekt, omgeven door opdringerige fotografen. ""De medewerker van Honecker die de zaak regelde, onderbrak plotseling de repetitie. De fotografen werden geroepen: ze mochten, nadat ze hun werk hadden gedaan, Honecker niet de rug toekeren. Ze dienden achteruit te lopen met het gezicht naar de leider gekeerd.''

Was de vereniging te vermijden geweest? Heinrich Roth gelooft er niet in. ""Onze economie had geen kans gehad tegenover de Westduitse.'' Maar dat mag geen reden zijn om, zoals nu gebeurt, alles wat uit de DDR komt neer te maaien. ""Alles. Ook de sporters die doping hebben gebruikt. Sommigen hebben dat zeker gedaan, maar de meerderheid niet. En in Westduitse kranten stellen ze het voor alsof niemand ervan was uitgezonderd.''

Onbesuisd

Het is allemaal een kwestie van perspectief. Erhard Kost, de voorzitter van de 5200 hectare grote collectieve boerderij in Grimbach-Kaufbach nabij Dresden, spreekt dagen later van de ""deels onbesuisde vereniging'', die naar zijn mening bittere gevolgen heeft gehad. Hij geeft echter toe dat het bedrijf met 270 man personeel en een omzet van 22 miljoen D-mark met enige moeite wel kan doordraaien. Zoals hij toegeeft dat de gedwongen rigoureuze scheiding van veeteelt en akkerbouw vroeger enorme schade heeft opgeleverd. Dat het machinepark hopeloos verouderd was, dat er vijftig monteurs permanent in de weer waren voor reparaties, dat de enorme kavels voor gigantische erosieproblemen zorgden, dat er nooit iets klopte van de aanvoer van materiaal en van het transport van de eigen produkten, dat elke voorgestelde verandering van het bedrijf jarenlang op toestemming moest wachten.

Erhard Kost weet het, weet het allemaal. Maar hij ergert zich eraan dat subsidies van de nieuwe heersers lang op zich laten wachten, dat hij überhaupt geen inzicht heeft in het subsidie-oerwoud. Dat banken terughoudend zijn met het geven van kredieten. En dat de "Wessis' doen alsof het aan de mensen op zijn collectieve boerderij ligt, "dat ze daar eindelijk maar eens moeten leren werken'. ""Ik hoop dat ze inzien dat er hier in de voormalige DDR dingen zijn, die het waard zijn om te behouden.''

Nieuw been

""Ik hoop niet dat ze hier op dezelfde wijze kastelen gaan restaureren als in West-Duitsland'', zegt een steenhouwer in Potsdam. Hij is onder een afdakje bezig een zandstenen vrouwenfiguur van een nieuw been te voorzien. Op het afgeschutte terreintje tussen de beide delen van het in 1769 in opdracht van de Pruisische koning Friedrich II gebouwde lustpaleis zijn verscheidene handwerkers met restauratiewerk bezig. De ongeveer 35-jarige man heeft vorig jaar voor het eerst in West-Duitsland gerestaureerde paleizen bekeken. ""Daar wordt alles zo gedetailleerd nieuw gemaakt, dat de tijdsfactor wordt uitgeschakeld. Je kunt aan die gebouwen niet meer zien of ze uit de zeventiende of achttiende eeuw stammen, ze zouden vorig jaar nagebouwd kunnen zijn.''