HOE DE GROTE MUUR EEN MYTHE WERD

The Great Wall of China. From History to Myth door Arthur Waldron 255 blz., Cambridge University Press 1990, f 97,95 ISBN 0 521 36518 X

De Chinese Muur bestaat niet. Althans, het is niet één muur, maar een ingewikkeld complex van wallen en muren. De ruïnes van die wallen en muren in China zijn in hun volle omvang nooit onderzocht en zelfs heden ten dage zijn nog niet alle ruïnes precies gelokaliseerd. Zelfs bestaat er geen gezaghebbende studie over "de Grote Muur'. Des te meer reden het boek van de Amerikaanse hoogleraar Arthur Waldron The Great Wall of China ter hand te nemen.

Uit dit boek blijkt wederom duidelijk dat het verloop van de Grote Muur, zoals deze op kaarten wordt aangegeven, zeer problematisch is. Zelfs de kaarten die door de Verenigde Staten met behulp van lucht- en satelliet-fotografie zijn samengesteld, zijn niet vrij van fouten. Een voorbeeld hiervan vormt de overvloed van de elkaar tegensprekende "nauwkeurige' cijfers die de lengte van de Muur aangeven. Enkele voorbeelden: 5985 km, 3995 km, 2710 km. In 1979 verkondigde het "New China News Agency' zelfs een lengte van 50.280 km zonder evenwel daarbij uit te leggen wat dit uitzonderlijke getal voorstelde.

Niet bekend

Duidelijk is dat de Grote Muur pas een muur werd van stenen en metselwerk in de eerste helft van de Ming-dynastie (1368-1644). Daarvoor ging het om niet meer dan wallen van aangestampte aarde. Die werden al sedert het eerste millennium voor Christus gebouwd door een aantal Chinese dynastieën om hun rijk te beschermen tegen de voortdurende invallen van de nomaden uit het noorden. Al deze wallen hebben nooit één geheel gevormd en ze moeten daarom elk afzonderlijk, in hun eigen historisch verband, worden bestudeerd.

De ontstaansgeschiedenis van de Muur gaat aldus ver terug. Uit de tijd vóórdat China onder de Ch'in-dynastie (221-207 v. Chr.) een eenheidsstaat werd, zijn al enkele ruïnes opgegraven. Van de eerste keizer over het verenigde China, Ch'in Shih-huang, is bekend dat hij de nomaden naar het noorden verdreef en daarna opdracht gaf een wal te bouwen om zijn rijk te beschermen. Overigens is men het er tegenwoordig over eens dat deze wal niet geheel nieuwe was, doch dat deze de eerder gebouwde wallen herstelde en met elkaar verbond.

MARCO POLO

Tijdens de grote Han-dynastie (206 v. Chr. - 221 n. Chr.) werd het Chinese territorium naar het noorden uitgebreid. Han-keizers bouwden op een aantal plaatsen nieuwe wallen, maar het is opvallend dat gedurende de periode tussen de val van de Han-dynastie in 221 tot de dood van de tweede Ming keizer in 1424 nauwelijks iets bekend is over wallen of muren. Toen Djenghis Khan in 1211 Noord-China binnenviel, werd zijn opmars gehinderd door twee bolwerken maar niet door wallen. Ook in het beroemde boek dat op naam staat van Marco Polo, De beschrijving van de wonderen van de wereld, is nergens sprake van een muur die China tegen de nomaden uit het noorden moest beschermen. De franciscaner monniken Odoric van Pordenone en Johan van Marignolli, die China bezochten in het midden van de veertiende eeuw, vermelden in hun verhalen al evenmin iets over een muur.

Toch hebben de Chinezen, vanaf de eeuwen voor de vorming van het verenigde Ch'in-keizerrijk tot in de negentiende eeuw, onophoudelijk geworsteld met de vraag hoe de aanvallen van, zoals zij dat noemden, de barbaren uit het noorden te weer-staan. Waldron beklemtoont in zijn boek terecht dat er tussen de nomaden in de noordelijke steppen en de Chinezen een structurele ongelijkheid bestond. De nomaden konden niet in hun eigen behoeften voorzien: zij hadden graan, metaal en medicijnen nodig. Indien deze goederen niet via handel konden worden verkregen, gingen zij over tot raids om ze te halen waarbij veelal de agrarische gebieden in China werden geplunderd. Roof was voor de nomaden dus een levenswijze.

De Chinezen probeerden een aantal strategieën om dit probleem het hoofd te bieden, zoals de barbaren militair te verdelen, hen te onderwerpen of hen met vreedzame middelen onder controle te houden door middel van diplomatieke contacten, huwelijken tussen de keizerlijke familie en schenkingen. Maar dit alles had slechts af en toe het gewenste effect. Ten slotte ontstond tijdens de Han-dynastie het plan met wallen en versterkingen de grenzen van het Chinese Rijk op die plaatsen vast te leggen ""waar de Hemel verzuimd had deze duidelijk te markeren'.

Vaststaat dat het bouwen van wallen alweer abrupt eindigde met de komst van de T'ang-dynastie (619-906). Deze dynastie bleek wel in staat de steppen die in het noorden lagen onder controle te houden. Wallen waren daarom niet meer nodig, sterker nog: grensversterkingen werden als teken van zwakte beschouwd. Hiertegenover staat echter dat de weinig weerbare Sung-dynastie (960-1276), die cultureel op een zeer hoog niveau stond, ook geen wallen bouwde. En dat terwijl er geen Chinese dynastie is geweest die zo uit het noorden werd belaagd als juist de Sung.

MONGOLEN

Na de Sung-dynastie trad er voor China een totaal andere situatie in. Het Hemelse Rijk werd na de verovering door de Mongolen deel van een wereldrijk. De Mongoolse Yüan-dynastie (1276-1368) toonde aan dat een succesvolle bewaking van de steppen inhield dat sterke offensieve middelen naar het noorden moesten worden gedirigeerd.

De meeste aandacht in The Great Wall gaat evenwel uit naar de Ming-dynastie die op de Yüan volgde. Die wilde als reactie op de Mongoolse overheersing geen banden met de barbaren in het noorden. Waldron schetst hoe de Ming-keizers aanvankelijk probeerden met veldtochten de Mongolen op een afstand te houden. Na verloop van tijd bleek echter dat de Ming de militaire bedrevenheid en de middelen niet meer konden opbrengen om dit vol te houden. Ten slotte konden in 1550 zelfs de binnendringers ongehinderd de poorten van Peking bereiken.

Nu duidelijk was geworden dat China niet langer de kracht bezat tot offensief optreden, werd in het laatste kwart van de 15de eeuw begonnen met de bouw van een groot aantal versterkte punten, wacht-, verbindings- en vuurtorens. Maar rivaliserende klieken aan het Ming-hof maakten elke verdere beslissing over uitbouw en onderhoud onmogelijk: versterking van het leger vond niet plaats en ook de bouwactiviteiten aan de wallen werd niet voortgezet.

Ten slotte bleek de Mongoolse dreiging zo groot dat ingrijpender maatregelen onontkoombaar waren: er moesten echte muren komen. De aarden wallen, die veelal waren gemaakt door de plaatselijke bevolking, zijn nadien geheel vervallen of door erosie verdwenen. Slechts een aantal fundamenten zijn teruggevonden.

STUKJE BIJ BEETJE

Er is in China overigens nimmer sprake geweest van een ontwerp om één Grote Muur te verwezenlijken. De bouw heeft stukje bij beetje plaatsgevonden, op grond van steeds nieuwe besluiten over kleine gedeelten van de versterkingen. De drie belangrijkste forten in de Muur uit de Ming-periode bevinden zich bij Chia-yü-kuan in het noorden van de provincie Kansu, bij Chü-jung-kuan noordoost van Peking en bij Shan-hai-kuan (het oostelijke eindpunt) vlakbij de Golf van Liaotung. Deze drie forten zijn tegenwoordig de punten waar men de Grote Muur bezoekt en het zijn ook deze punten die de laatste dertig jaren intensief zijn gerepareerd.

In de Ming-tijd werd overigens niet gesproken over "De Grote Muur' maar over "De Negen Grensgarnizoenen'. Deze uitdrukking is een verwijzing naar de negen belangrijkste sleutelpunten in de defensielijn die zich uitstrekte van de Golf van Liaotung in het oosten tot de noordpunt van de provincie Kansu in het westen: hemelsbreed ongeveer 1850 km (de afstand Amsterdam-Boekarest). Om Peking te beveiligen werd bovendien een extra muur aangelegd. Zodoende ontstond er een "Buiten Muur' en een "Tweede Muur'. Hoewel de laatste nog minder dan de eerste één geheel vormde, was het de eigenlijke hoofdverdedigingslijn.

MAGINOT-LINIE

Maar hoe de Chinezen ook bouwden, telkens bleek dat het de Mongolen lukte langs de Muur te komen. Dat leidde tot steeds verdere en duurdere bouwactiviteit, die gedurende het laatste deel van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw tot een hoogtepunt kwam.

Inmiddels was ten noordoosten van China de goed georganiseerde staat van de Manchus ontstaan. De heersers in Peking schonken weinig aandacht aan het gevaar dat van dit nieuwe rijk uitging. De werkzaamheden en het aanbrengen van reparaties aan de Muur waren volgens de oude plannen gaande toen in 1644 de Manchus Peking binnenvielen en de Ming-dynastie ten val brachten. Evenals de Maginot-linie driehonderd jaren later, bleek de strategische waarde van de Grote Muur nihil. De Manchus pakten de bewaking van het territorium in het noorden dan ook geheel anders aan. Zij kozen weer voor een grootscheepse militaire aanwezigheid op de Mongoolse steppen.

Een merkwaardige bijzonderheid is dat, nadat de Manchu Ch'ing-dynastie in 1912 ten val was gebracht, de Grote Muur een rol kreeg die deze daarvoor nooit had bezeten, die van het brandpunt van de Chinese identiteit en trots. Zo had de Grote Muur zijn oorspronkelijke bedoeling, die van militaire barrière, verloren, maar in het moderne China de positie van nationaal symbool gewonnen.

Onthutsend zijn daarom de feiten omtrent de huidige staat van het immense werk dat de Grote Muur zonder twijfel is. Alleen in de omgeving van Peking zijn in de laatste decennia al 54 van 184 kilometer Muur en 100 torens vernield. Honderden kilometers Muur zijn met de grond gelijk gemaakt en belangrijke poorten zijn zwaar beschadigd. Aarden wallen zijn uitgegraven en als landbouwgrond benut. Stenen muren zijn opgeblazen om als materiaal voor de bouw van wegen en waterreservoirs te worden gebruikt. In een poging aan deze vernielingen een einde te maken, heeft de Volksrepubliek recent maatregelen aangekondigd.

Als The Great Wall iets duidelijk maakt, is het wel dat "de' Grote Muur een mythe is. De oorsprong van de mythe over de Grote Muur ligt in China, doch vier eeuwen geleden bloeide, naar aanleiding van verhalen van Europese reizigers, deze mythe ook in het Westen op. Sedertdien heeft de mythe weer wortelgeschoten in China en is een eigen leven gaan leiden.