"Het gaat hier om onvervalste kansarmen'

ROTTERDAM, 28 SEPT. Voor de tweede keer binnen een jaar is een groot aantal Antilliaanse jongeren gearresteerd. Eind 1990 werden vierendertig jongeren in en rondom Rotterdam aangehouden wegens vermogens- en ernstige geweldsdelicten. De eenentwintig jongens, voornamelijk uit Hoogvliet, die half september werden ingesloten, pleegden de afgelopen twee jaar in kleine groepen onder meer overvallen op banken, café's en benzinestations, waarbij geweld niet werd geschuwd.

In eerste instantie weigerden politie en justitie de afkomst van de jongeren bekend te maken. Terughoudendheid die de reclassering in Rotterdam en Amsterdan niet kent. Daar spreekt men openlijk over het probleem van de "excessief gewelddadige Antilliaanse jongeren'. Een Amsterdamse reclasseringsambtenaar: “Die voorzichtigheid hebben we allang laten varen”. “We hebben het over onvervalste kansarmen”, aldus een ambtenaar van de Rotterdamse reclassering.

Voorbeelden van veertienjarigen die mensen een slachtmes op de keel zetten, vrouwen die op de grond liggend nog geschopt worden, het anderszins toebrengen van zwaar lichamelijk letsel worden door hen moeiteloos opgesomd. “Een collega”, vertelt de Amsterdamse reclasseringswerker, “is een paar dagen geleden in Gaasperdam door vijf jonge Antillianen in elkaar geslagen. Eerst werd hij met een stok van zijn fiets geslagen, daarna kreeg hij een karatetrap in zijn gezicht. Nu zit hij met een gebroken kaak thuis. Hij had net geld gehaald bij de bank, maar ze namen niet eens zijn portemonnee mee, alleen zijn koffertje.” De ambtenaar omschrijft het geweld van de Antilliaanse jongens als even onvoorspelbaar als buitensporig. “Wanneer ik vijf donkere jongens zie loop ik een eindje om. Dat mag schijterig klinken, je mag er een vooroordeel in horen, maar ik neem geen risico.”

In 1980 bedroeg het aantal Antillianen en Arubanen in Nederland 33.000, in 1989 was dat aantal verdubbeld, zo blijkt uit de recente notitie "Problematiek Antilliaanse Jongeren' van de Directie Jeugdbescherming en Reclassering. Daarin wordt vastgesteld dat in de loop van vorig jaar verscheidene signalen het ministerie van justitie bereikten over "bendevorming en ernstige, vaak agressieve vormen van criminaliteit'.

Julia is reclasseringsambtenaar in Rotterdam-West en heeft een paar Antilliaanse jongens van ongeveer twintig jaar onder haar hoede. Het beeld dat zij van hen schetst is dat van jonge volwassenen die in Nederlandse ogen "kinderlijk' overkomen. “Op de vraag waarom ze zo iets ergs gedaan hebben, kunnen ze geen antwoord geven. Ze toonden aanvankelijk geen enkel berouw. Pas in de gevangenis komen ze er achter dat wat ze gedaan hebben niet door de beugel kan. Want daar peperen andere gedetineerden hen in dat een klein kind bedreigen of een zwangere vrouw schoppen gewoon niet kan. Daardoor krijgen ze in de gaten dat er iets heel ergs gebeurd is.”

Het lage normbesef van deze delinquenten, de afwezigheid van wroeging, het onvermogen zich het lijden van het slachtoffer voor te stellen, wordt ook door anderen geconstateerd. Julia: “In Nederland wordt van achttienjarigen verwacht dat ze zelfstandig kunnen opereren. Die eis wordt op de Antillen niet gesteld. Wanneer een jongen daar voortijdig de school verlaat wordt hem niet gevraagd waarom hij dat doet of wat hij met zijn leven wil. De familie regelt alles. Een oom zorgt wel voor een baantje. Ze hebben niet geleerd keuzen te maken. Eenmaal in Nederland blijkt dat ze de eenvoudigste vragen, bijvoorbeeld op het arbeidsbureau, niet weten te stellen.”

“Die jongens weten ook niet wat ze willen. Ze wilden helemaal niet naar Nederland. Ik heb gezegd dat ze eerst de keus moeten maken: hier blijven of teruggaan. En dat als ze hier willen blijven ze dan eerst Nederlands moeten leren. Ze hebben een ernstig vergrijp gepleegd, dus hun uitgangspositie is al niet gunstig. Langzaam beseffen ze dat ze hier om maatschappelijk ook maar een beetje te slagen "enge' dingen moeten leren. De verleiding is groot om, eenmaal terug in de maatschappij, terug te vallen op de groep.”

Het zijn jongens die zich afzonderlijk - zo merkt de Rotterdamse reclasseringswerkster - heel anders gedragen dan wanneer ze in een groep zitten. Overigens is er geen sprake van een groep met een hiërarchie, een vaste kern of aanwijsbare leden. “Ze vervelen zich en zoeken elkaar op in koffieshops en disco's. Zo'n groep hangt als los zand aan elkaar.” Eenmaal onder soortgenoten kunnen ze de eisen die de Nederlandse maatschappij aan hen stelt even vergeten. Daar geldt weer dat je je over een probleem dat volgende week speelt nu niet druk hoeft te maken.

In de notitie "Problematiek Antilliaanse Jongeren' wordt het probleem met de jonge Antillianen als zó ernstig beschouwd dat onder het hoofdstuk "Oplossingsrichtingen' de mogelijkheden van "remigratie' en het opzetten van een "opvang- en begeleidingsproject op de Antillen' aangestipt worden. Bij de reclassering denkt men dat het vroegtijdig signaleren van mogelijke problemen vooralsnog zinvoller is. “Nu krijgen we ze pas binnen als ze met justitie te maken hebben gehad. Eigenlijk moet je ze al op veel jongere leeftijd begeleiden, bijvoorbeeld wanneer ze voortijdig de school verlaten.”

De Stichting Welzijnsbevordering Antillianen in Rotterdam reageert onaangenaam verrast op het bericht van de arrestaties. “Daar weten we niets van. Soms moeten we via de krant te weten komen wat met de doelgroep gebeurd is.” De woordvoerster van de stichting betreurt het dat alleen met de stichting contact wordt opgenomen wanneer er problemen zijn. “We zijn ook met goede dingen bezig.” Een project speciaal voor Antilliaanse jongeren in Hoogvliet is er op dit moment echter niet.