GEVOELENS

Een vat vol gevoelens. Psychologie voor dagelijks gebruik door Rita Kohnstamm 116 blz., Anthos 1991, f 24,50 ISBN 90 6074 690 2

Rita Kohnstamm schrijft niet alleen in deze krant over psychologische onderwerpen, maar ook in het weekblad Margriet. Zij doet dat - en dat is een verdienste, vind ik - in beide periodieken op dezelfde rustige, pretentieloze manier. De stukjes in Margriet zijn korter en verwijzen niet, zoals die in NRC Handelsblad, naar psychologische vakliteratuur. Dat kun je betreuren, maar de schrijfster blijft geheel zichzelf. Haar opinies zijn behalve weloverwogen, ook vaak enigszins tegen ”de geest van de tijd' in. Een geest die, zeker in psychologische kwesties, nog steeds waait in de richting van het moderne, opene, gezagsongetrouwe, zodat Kohnstamm vaak het meer behoudende standpunt vertolkt.In Een vat vol gevoelens zijn ruim vijftig van Kohnstamms Margriet-stukjes gebundeld. Het leest als een trein, je hebt het in één avond uit en stuit onderweg toch minstens een keer of tien op iets waarvan je opkijkt; een hoge score.

Dat opkijken bereikt zij op twee manieren. Ten eerste doordat zij moderne idées reçues relativeert. Op het terrein van de psychologie is daar moed voor nodig. Je krijgt meer applaus als je de verschrikkingen van incest aan de kaak stelt, dan als je voorzichtig wijst op het belangrijke onderscheid tussen de gewetenloze plegers van de echte daad, en de liefkozende vaders die een eindje over de schreef gaan. Als je beide incest noemt, zegt Kohnstamm, ontkracht je de ernst van het echte misdrijf. Of een onschuldiger voorbeeld: zij schrijft hoe ergerlijk het is als er bij je is ingebroken, maar zegt vervolgens toch niet goed te begrijpen dat allerlei mensen na zo'n voorval zeggen zwaarder te tillen aan de schending van hun privé-heiligdom, dan aan het gemis van dier of kostbare spullen. Alsof je bent aangerand, zeggen die mensen dramatisch. Onzin, zegt Kohnstamm, in veel beleefdere bewoordingen.

Kohnstamms andere kracht is het bieden van een onverwachte gezichtshoek op menselijke gevoelens en de menselijke omgang. Haar column ”Sympathie', waarin wordt betoogd dat de moderne obsessie met sympathie, of liefde, als basis voor alle menselijke betrekkingen ook veel nadelen heeft, zal ik niet gauw vergeten. Maar ook de passage over de opkomst van het dekbed (die zo veel gevolgen heeft gehad voor het huiselijke taakje ”b-opmaken'), of die over de stoomketel als metafoor voor de mens en zijn gevoelens, zijn kleine oog-openers.

Wat betreft die sympathie, daaruit spreekt een soort van somber realisme dat in meer van haar stukjes te ontwaren is. Is somberheid een kenmerk van de conservatief? Of van de psycholoog, die weet hoe machteloos de rede staat tegenover de primitieve drijfveren in ieder mens? Een van de steeds terugkerende gedachten in deze Psychologie voor dagelijks gebruik is, dat mensen gauw te optimistisch zijn. Misschien deden we langzamerhand een beetje te lievig over seksualiteit, schrijft Kohnstamm in een stukje over aids. Het zijn de depressieven die een realistische kijk op het leven hebben, zegt zij elders.

Die berustende grondtoon helpt om dit boekje als geheel te behoeden voor de banaliteit, die natuurlijk al gauw op de loer ligt waar iemand met gezond verstand schrijft over de alledaagse menselijke verhoudingen. Kohnstamm schrijft wel als een huis-, tuin- en keuken-goeroe dat we allemaal aardig moeten zijn voor elkaar. Maar dat wij de wereld zo echt zouden kunnen verbeteren, zal zij niet beweren.