Exterritoriaal unicum

De staat is weer een staat en de hoofdstad is weer een hoofdstad. En dus wordt het tijd voor de staat om zijn stukje grond in de hoofdstad op te eisen.

De Hildebrandstrasse is een onopvallende straat in de Westberlijnse wijk Tiergarten, waar ooit talrijke ambassades stonden. Op nummer 3 staat een fraaie, zij het enigszins vervallen, negentiende-eeuwse villa. Tot 1941 huisde hier de ambassade van Estland.

Tegenwoordig zijn de bewoners wat eenvoudiger. Naast twee oude dametjes, die het donkere souterrain bewonen, hebben hier een lerares met drie kinderen, een kunstschilder en nog zeven andere Berlijners onderdak gevonden. Opent men de zware, deels gepantserde, voordeur dan lijkt de vooroorlogse muffe bureaulucht nog niet helemaal door de geur van de moderne bewoners verdreven te zijn. In het trappenhuis barst het fraaie mahoniehout bijna uit de lambrizering. Overal staan planten, kinderwagens en fietsen. Ondanks alles straalt de grandeur van de voormalige bourgeoisvilla zonder veel moeite door het stof van vijf decennia verval.

Peter Grämer woont hier al sinds 1966. Op de eerste verdieping heeft hij uit de vroegere post- en telefoonkamers een klein appartement gemaakt. De bijna prehistorische telexmachine gebruikt hij als aflegtafeltje. Zijn atelier bevindt zich op de begane grond, in een van de twee majestueuze ontvangstzalen met rijkelijk versierde, maar afbladderende plafonds vol gouden engeltjes.

De kleinste Baltische republiek heeft tijdens vijftig jaar bezetting (van 1941 tot 1944 door de Duitsers en daarna door de Russen) niet voor haar ambassadegebouw in Berlijn kunnen zorgen. Vijftig jaar lang stelde Estland het zonder haar soevereiniteit en slechts een enkeling leek nog te geloven in de kansen voor de mini-staat. Met Berlijn ging het na de Tweede Wereldoorlog al niet veel beter. Het Corps Diplomatique zat in Oost-Berlijn, het Corps d'Espionage had zijn speeltuin in West-Berlijn.

De villa aan de Hildebrandstrasse, op wonderbaarlijke wijze ontkomen aan de kogel- en bommenregen van voorjaar 1945, stond relatief ongehavend tussen de ruïnes. Geen mens wist raad met dit uiterst ongebruikelijk bezit. De eigenaar was een staat die niet meer bestond. Het pand stond op Westberlijns grondgebied, misschien wel het meest betwiste territoir op aarde.

De oplossing was uiteindelijk zeer pragmatisch. Het pand stond tot het midden van de jaren zestig leeg, overgelaten aan de tand des tijds, die in Berlijn zeer hard kan knagen. In 1966 besloot de regering van de Bondsrepubliek, die de Sovjet-annexatie van Estland nooit erkend had, de rechter een beheerder te laten aanwijzen, in de vorm van een makelaar. Die vond een tiental huurders die de reusachtige ruimten tegen een relatief lage huurprijs betrokken. De verhuurder voerde alleen het hoogst noodzakelijke onderhoud uit, de huurders deden de rest.

Zo ontstond in de schaduw van de voormalige Japanse en Italiaanse ambassades (pompeuse nazibouwwerken uit Albert Speers hoge hoed, die de oorlog ook overleefd hadden) een kleine idylle. Binnen werden enkele renovatiewerkzaamheden ter hand genomen, buiten werd een fraaie tuin aangelegd, om de prostituées van de nabijgelegen Tiergartenstrasse op afstand te houden. In 1975 werd een klein gedeelte van het pand door de politie onbewoonbaar verklaard. Hierdoor moesten enkele bewoners vertrekken, maar de overgeblevenen zetten zich met dubbele energie in voor het behoud van de vroegere ambassade. Waarschijnlijk hielden ze er geen rekening mee dat de oorspronkelijke eigenaar ooit nog zou opduiken.

Grämer heeft met gemengde gevoelens de politieke ontwikkelingen van de laatste jaren in het Oostblok gevolgd. De herwonnen zelfstandigheid van Estland zal waarschijnlijk op den duur het einde van zijn ongekende luxe betekenen. In Berlijn is nieuwe atelierruimte vrijwel onvindbaar en in ieder geval onbetaalbaar. Hij vermoedt dat de drie Baltische republieken gezamenlijk de villa als ambassade in gebruik zullen gaan nemen. Voorlopig heeft zich nog geen vertegenwoordiger van Estland in Berlijn gemeld. Maar Grämer weet dat dat gebeurd kan zijn voor de verf van zijn laatste romantische doek gedroogd is.